Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #23: OUD HOUT HERKENNEN. WAAROM HET HOUT IN EEN MONUMENT VAAK OUDER IS DAN HET GEBOUW
Wanneer mensen een monument bezoeken, kijken ze meestal naar de gevel, de ramen of het interieur. Vrijwel niemand denkt na over het hout waaruit het gebouw is opgebouwd. Toch is juist dat hout vaak een van de meest bijzondere onderdelen van het hele gebouw. Niet alleen vanwege de kwaliteit, maar ook vanwege de leeftijd. De kans is groot dat de boom waaruit een eiken balk is gemaakt al groeide toen de plek waar het huis nu staat nog uit akkers, heide of bos bestond. Wie een historische kapconstructie aanraakt, raakt soms een boom aan die honderden jaren geleden als eikel begon.
Dat klinkt misschien romantisch, maar het is vooral een kwestie van tijd. Tijd om te groeien, tijd om sterker te worden, tijd om zorgvuldig te worden geselecteerd en uiteindelijk tijd om door een timmerman te worden verwerkt. Misschien is dat wel het grootste verschil met de manier waarop we tegenwoordig bouwen. Historisch hout ontstond niet in een fabriek, maar in een bos.
EEN BOOM GROEIDE VAAK LANGER DAN EEN MENSENLEVEN
Voor zware constructies werd eeuwenlang vooral eikenhout gebruikt. Een boom werd niet gekapt zodra hij een bruikbare diameter had bereikt. Juist voor balken, gebinten en kapconstructies zocht men bomen die langzaam waren gegroeid en een hoge kwaliteit hadden ontwikkeld. Dat betekende vaak een leeftijd van 120 tot 200 jaar, soms zelfs meer.
Wie daar even bij stilstaat, beseft hoe bijzonder dat is. Een boerderij uit 1750 kan zonder moeite balken bevatten van bomen die rond 1550 begonnen te groeien. Ook een herenhuis uit 1900 kan zijn gebouwd met eiken die hun eerste bladeren al kregen in de achttiende eeuw. De boom is daarmee vaak veel ouder dan het gebouw waarin hij uiteindelijk terechtkwam.
Dat verklaart ook waarom oude gebouwen zo’n andere uitstraling hebben. Niet alleen de architectuur draagt geschiedenis met zich mee, maar ook de materialen waaruit zij zijn opgebouwd.
BOSBEHEER WAS EEN VAK OP ZICHZELF
Een timmerman liep vroeger niet zomaar een bos in om een geschikte boom uit te zoeken. Achter iedere balk ging een zorgvuldig systeem van bosbeheer schuil. Boswachters en boseigenaren selecteerden bomen op groeivorm, vezelrichting, gezondheid en stamvorm. Een kaarsrechte stam was ideaal voor lange balken, terwijl een natuurlijk kromgegroeide eik juist zeer geschikt kon zijn voor schoren, gebogen constructies of zelfs scheepsbouw.
Nederland kende daarvoor lang niet voldoende bos. Daarom werd al vanaf de middeleeuwen veel hout ingevoerd uit Duitsland, Scandinavië en de Baltische landen. Via rivieren en zeeën bereikten complete houtvlotten de Nederlandse handelssteden. Amsterdam groeide zelfs uit tot een van de belangrijkste houthavens van Europa. Achter veel monumenten gaat daardoor niet alleen een Nederlandse geschiedenis schuil, maar ook een Europees verhaal.
WAAROM BOMEN VAAK IN DE WINTER WERDEN GEKAPT
Eeuwenlang gold de ongeschreven regel dat bomen bij voorkeur tijdens de winter werden geveld. Tijdens de winterrust bevat een boom minder vocht en minder voedingsstoffen. Daardoor werd aangenomen dat het hout duurzamer was en minder gevoelig voor aantasting door insecten en schimmels.
Wetenschappelijk wordt daar tegenwoordig genuanceerder naar gekeken, maar historisch gezien speelde winterkap een belangrijke rol binnen de bosbouw. Het laat vooral zien hoeveel aandacht er vroeger werd besteed aan de kwaliteit van het bouwmateriaal. Het proces begon niet bij de timmerman, maar al in het bos.
NIET IEDER DEEL VAN EEN BOOM IS EVEN WAARDEVOL
Wanneer een boom eenmaal was geveld, begon het echte selecteren pas. Het donkere kernhout in het midden van de stam bezit een veel hogere natuurlijke duurzaamheid dan het lichtere spinthout aan de buitenzijde. Juist daarom werd voor constructies zoveel mogelijk kernhout gebruikt.
Ook de manier van zagen bepaalde de kwaliteit. Een stam kon kwartiers gezaagd worden, waarbij de jaarringen vrijwel haaks op het houtoppervlak liggen, of dosse gezaagd, waarbij de jaarringen een veel vlakkere lijn volgen. Kwartiers gezaagd hout werkt minder, blijft stabieler en slijt gelijkmatiger. Daarom werd het graag toegepast voor monumentale kozijnen, vloeren en hoogwaardige constructies. Dosse gezaagd hout leverde meer rendement uit een stam op en werd daardoor eveneens veel gebruikt, maar bezit andere eigenschappen.
Wie eenmaal leert kijken naar jaarringen, ontdekt dat ook een plank een verhaal vertelt.
WATEREN EN DROGEN VROEGEN GEDULD
Na het zagen begon opnieuw een proces dat maanden of zelfs jaren kon duren. Sommige stammen werden eerst gewaterd. Door hout enige tijd in stromend water of een watergang te leggen konden bepaalde voedingsstoffen uitspoelen en werd de kans op scheurvorming tijdens het drogen kleiner. Daarna volgde het natuurlijke droogproces.
Dat betekent overigens niet dat iedere balk jarenlang op een houtwerf lag. Grote constructiebalken werden regelmatig relatief vers verwerkt en droogden vervolgens langzaam in de kapconstructie zelf. Dat werkte uitstekend, omdat het hout zich geleidelijk kon aanpassen aan zijn nieuwe functie.
Wie denkt dat een historische kap in een paar weken ontstond, onderschat hoeveel geduld vroeger onderdeel was van het bouwproces.
WAAROM OUD HOUT VAAK BETER IS DAN NIEUW HOUT
Regelmatig hoor ik dat een oude balk maar beter vervangen kan worden door een nieuwe. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk is het vaak precies andersom. Veel historische eiken balken zijn gemaakt van bomen die anderhalve tot twee eeuwen de tijd kregen om uit te groeien. Door die langzame groei ontstonden smalle jaarringen, een hoge dichtheid en een uitzonderlijk duurzaam stuk hout.
Bij veel modern constructiehout verloopt dat proces heel anders. Bossen worden veel intensiever beheerd en bomen worden op aanzienlijk jongere leeftijd geoogst. Het hout groeit sneller, heeft bredere jaarringen en wordt machinaal verwerkt. Dat is uitstekend geschikt voor de hedendaagse bouw, maar het is niet hetzelfde materiaal als het langzaam gegroeide eiken dat we in veel monumenten aantreffen.
Soms lijkt het alsof een boom gisteren nog in het bos stond en vandaag al als balk op de bouwplaats ligt. Natuurlijk zit daar een zorgvuldig productieproces tussen, maar de tijdschaal is onvergelijkbaar met vroeger. Een eiken balk in een zeventiende-eeuwse boerderij vertegenwoordigt vaak twee eeuwen bosgroei voordat de timmerman er zijn eerste beitel in zette. Dat besef verandert ook de manier waarop je naar zo’n balk kijkt. Je ziet niet alleen een constructieonderdeel, maar de uitkomst van honderden jaren natuur, vakmanschap en geduld.
Juist daarom verdienen historische balken zoveel mogelijk behoud. Niet uit nostalgie, maar omdat hun kwaliteit, geschiedenis en duurzaamheid zich vaak niet eenvoudig laten vervangen.
NIET IEDERE HOUTSOORT HEEFT DEZELFDE EIGENSCHAPPEN
Hoewel eikenhout eeuwenlang de belangrijkste constructiehoutsoort was, kom je in historische gebouwen ook grenen, vuren, lariks, iepenhout, essenhout en soms beukenhout tegen. Iedere houtsoort heeft zijn eigen eigenschappen en toepassingen. Grenen en vuren werden vanaf de negentiende eeuw steeds populairder doordat zij sneller groeiden en goedkoper beschikbaar waren. Lariks bezit een hogere natuurlijke duurzaamheid en werd regelmatig toegepast waar hout aan weer en wind werd blootgesteld. Iepenhout is bijzonder taai en werd onder meer gebruikt voor onderdelen die slecht tegen splijten mochten kunnen.
Juist de keuze voor een bepaalde houtsoort vertelt veel over de bouwperiode, de functie van een gebouw en de financiële mogelijkheden van de opdrachtgever. Een ervaren restauratiearchitect of bouwhistoricus ziet daarom niet alleen een balk, maar leest in de houtsoort ook een deel van de geschiedenis van het gebouw.
In deel 24 bekijken we hoe jaarringen, telmerken, houtverbindingen en dendrochronologisch onderzoek de geschiedenis van een gebouw kunnen onthullen en waarom oud hout tijdens restauraties meestal waardevoller is dan nieuw hout.
OVER DE AUTEUR
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur wil hij gebouwen toegankelijker maken voor een breed publiek en tegelijkertijd bijdragen aan de kennis over het Nederlandse gebouwde erfgoed.