Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #44: STUCPLAFONDS. KUNSTWERKEN BOVEN JE HOOFD
Wie een monument bezichtigt, kijkt meestal naar de vloer, de schouw of de ramen. Maar juist boven ons hoofd bevinden zich vaak de mooiste onderdelen van een historisch interieur. Een stucplafond is veel meer dan een witte afwerking van een ruimte. Het vertelt iets over de bouwperiode, de rijkdom van de bewoners, het vakmanschap van de stukadoor en de mode van zijn tijd.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom tijdens een bezichtiging altijd omhoog. Een plafond verraadt vaak sneller de ouderdom van een woning dan een keuken of badkamer. Wie de ornamenten leert herkennen, kan een interieur vaak verrassend nauwkeurig dateren.
De eerste gestucte plafonds waren betrekkelijk eenvoudig. In de zestiende en zeventiende eeuw bleven houten balklagen vaak zichtbaar en werd het stucwerk vooral gebruikt om de vakken tussen de balken netjes af te werken. Naarmate woningen rijker werden, verdwenen de balken steeds vaker achter vlakke plafonds van kalkstuc.
Dat stucwerk werd niet rechtstreeks tegen de balken aangebracht. Eerst werd een raamwerk van dunne houten latten gemaakt. Bij veel woningen werd daarover een mat van riet aangebracht. De natte kalkmortel hechtte zich aan het riet en vormde na het uitharden een verrassend sterke constructie. Tijdens restauraties kom je dat riet nog regelmatig tegen zodra een plafond wordt geopend. Het laat zien hoe ingenieus onze voorouders bouwden met eenvoudige natuurlijke materialen.
In de achttiende eeuw ontwikkelde het stucplafond zich tot een kunstvorm. Onder invloed van de Franse Lodewijkstijlen verschenen rijk gedecoreerde plafonds in stadspaleizen, buitenplaatsen en herenhuizen.
De Lodewijk XIV-stijl herken je aan haar strenge symmetrie, zware kroonlijsten, acanthusbladeren en monumentale klassieke vormen. Alles straalt orde, rust en macht uit.
De Lodewijk XV-stijl, beter bekend als de rococo, brengt juist beweging en elegantie. Asymmetrische schelpmotieven, rocailles, bloemranken en sierlijke C- en S-vormen lijken bijna over het plafond te golven. Een van de mooiste voorbeelden in Nederland is het interieur van Huis Dedel aan de Prinsegracht in Den Haag, waar de Italiaanse meester-stukadoor Carlo del Buono een uitzonderlijk rococo-interieur realiseerde. Het stucwerk is daar nauwelijks nog decoratie te noemen. Het is beeldhouwkunst.
Met de Lodewijk XVI-stijl keerde de rust terug. De uitbundige rococo maakte plaats voor strakke symmetrie. Guirlandes, linten, strikken, rozetten, medaillons en verfijnde klassieke motieven, geïnspireerd op de Griekse en Romeinse oudheid, bepaalden voortaan het beeld.
In de negentiende eeuw werd stucwerk bereikbaar voor een veel grotere groep. Nieuwe technieken maakten het mogelijk ornamenten in mallen te vervaardigen. Niet alleen paleizen en buitenplaatsen, maar ook herenhuizen en villa’s kregen fraaie plafondlijsten, rozetten en decoraties. Midden in het plafond verscheen vaak een sierlijke rozet waaraan eerst een olielamp, later een gaslamp en uiteindelijk een elektrische kroonluchter werd opgehangen.
Ook de twintigste eeuw kende haar eigen plafondstijlen. De Amsterdamse School legde de nadruk minder op uitbundig stucwerk en meer op de architectuur als geheel. Ornament bleef aanwezig, maar werd soberder en maakte onderdeel uit van het totale ontwerp. De Art Deco bracht vervolgens een geheel eigen vormentaal met strakke geometrische patronen, zonnestralen, zigzaglijnen en getrapte vormen. Tijdens de wederopbouw verdwenen ornamenten grotendeels uit het interieur en maakten vlakke plafonds hun intrede.
Tijdens restauraties kom ik regelmatig verrassingen tegen. Achter verlaagde plafonds uit de jaren zestig of zeventig blijken soms complete stucplafonds met ornamenten bewaard te zijn gebleven. Ook haarscheuren vertellen een verhaal. Ze horen vaak bij de natuurlijke werking van een oud gebouw en betekenen lang niet altijd dat een plafond constructief onveilig is. Juist daarom vraagt restauratie van historisch stucwerk om gespecialiseerde vakmensen. Een goed gerestaureerd plafond laat nauwelijks zien waar oud eindigt en nieuw begint.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom niet alleen naar de schoonheid van een plafond, maar ook naar het vakmanschap dat erin schuilt. Eeuwenlang waren stukadoors georganiseerd in gilden en werd hun kennis van generatie op generatie doorgegeven. Grote buitenplaatsen en stadspaleizen trokken zelfs Italiaanse meester-stukadoors aan. Hun werk behoort nog altijd tot de mooiste voorbeelden van bouwkunst die Nederland rijk is.
Bij redres geloven we dat architectuur niet ophoudt bij ooghoogte. Juist plafonds laten zien hoeveel aandacht onze voorouders besteedden aan schoonheid, proportie en ambacht. Wie eenmaal leert kijken naar een stucplafond, ontdekt dat zich boven iedere ruimte een verhaal bevindt dat minstens zo bijzonder is als de vloer waarop we lopen.
In deel 45 kijken we naar een klein detail dat iedereen dagelijks gebruikt, maar bijna niemand bewust bekijkt: het hang- en sluitwerk. Wat vertellen scharnieren, sloten, klinken en deurkrukken over de ouderdom van een gebouw?
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.