LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #47: TRAPPENHUIZEN. WAAR ARCHITECTUUR INDRUK MAAKT
17/10 4 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #47: TRAPPENHUIZEN. WAAR ARCHITECTUUR INDRUK MAAKT

DE BELANGRIJKSTE RUIMTE WAAR NIEMAND WOONT

Vrijwel iedereen loopt een trappenhuis binnen zonder er echt naar te kijken. De aandacht gaat meestal direct uit naar de woonkamer, de keuken of het uitzicht vanuit de ramen. Dat is eigenlijk vreemd, want juist in het trappenhuis laat een architect vaak voor het eerst zien waartoe hij in staat is. Hier begint de route door het huis, hier ontstaat de eerste indruk en hier komen architectuur, vakmanschap, licht en ruimte op een bijzondere manier samen.

Als bouwkunstmakelaar blijf ik daarom juist in een trappenhuis vaak even stilstaan. Nog voordat ik de woonkamers of slaapkamers bekijk, wil ik begrijpen hoe een gebouw is ontworpen. Hoe beweegt de trap zich door het huis? Waar valt het daglicht naar binnen? Welke zichtlijnen heeft de architect gecreëerd? Een goed trappenhuis brengt je niet alleen naar een andere verdieping, maar begeleidt je als bezoeker bijna ongemerkt door het gebouw. Dat is geen toeval, maar het resultaat van zorgvuldig nadenken over ruimte, verhoudingen en beleving.

DE EERSTE INDRUK BEGINT ACHTER DE VOORDEUR

In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw begon de ontvangst niet in de salon, maar direct achter de voordeur. Bezoekers kwamen binnen in een vestibule of ontvangsthal en werden vrijwel vanzelf naar de hoofdtrap geleid. Die trap vormde letterlijk en figuurlijk de route naar de representatieve vertrekken. Een monumentale bordestrap straalde rust, welstand en vertrouwen uit. De eigenaar liet hiermee niet alleen zien dat hij over voldoende middelen beschikte, maar ook dat hij oog had voor architectuur en vakmanschap.

Architecten besteedden daarom veel aandacht aan de verhouding tussen trap, bordes, vide, ramen en plafondhoogte. Terwijl een bezoeker langzaam naar boven liep, veranderde voortdurend het perspectief. Bij iedere draai van de trap verschenen nieuwe doorkijkjes, nieuwe lichtinvallen en nieuwe architectonische details. Een goed ontworpen trappenhuis voelt daardoor bijna vanzelfsprekend, terwijl achter die vanzelfsprekendheid een zorgvuldig doordacht ontwerp schuilgaat.

 

HUIS DEDEL ALS SCHOOLVOORBEELD

Misschien is Huis Dedel aan de Prinsegracht in Den Haag wel het mooiste voorbeeld van zo’n zorgvuldig ontworpen trappenhuis. Veel bezoekers worden direct gegrepen door het indrukwekkende achttiende-eeuwse rococo-stucwerk van de Italiaanse meester-stukadoor Carlo del Buono. Dat is begrijpelijk, want het behoort tot de fraaiste historische interieurs van Nederland. Toch verdient ook de bordestrap minstens zoveel aandacht.

Hier vormen de trap, de balustrades, het stucwerk, de vide en de lichtinval één architectonisch geheel. Terwijl je langzaam omhoog loopt, ontvouwt het interieur zich stap voor stap. De architect bepaalt als het ware wat je op ieder moment ziet. Dat maakt een trappenhuis tot veel meer dan een verkeersruimte. Het wordt een ruimtelijke compositie waarin iedere trede onderdeel is van het ontwerp.

 

HOOFDTRAP EN DIENSTTRAP

In grotere herenhuizen, stadspaleizen, kastelen en buitenplaatsen bestonden vaak twee verschillende trappen. De bewoners en hun gasten maakten gebruik van de representatieve hoofdtrap, terwijl het personeel zich via een aparte diensttrap door het gebouw verplaatste. Die diensttrap was meestal smaller, steiler en eenvoudiger uitgevoerd en lag vaak uit het zicht. Zo kon het personeel onopvallend werken zonder de dagelijkse gang van zaken in de representatieve vertrekken te verstoren.

Wie vandaag een historisch huis bezoekt, kan deze tweedeling vaak nog altijd herkennen. De architectuur vertelt daarmee niet alleen iets over het gebouw zelf, maar ook over de maatschappelijke verhoudingen van vroeger.

 

LICHT MAAKT HET TRAPPENHUIS

Een goed trappenhuis bestaat niet alleen uit hout, natuursteen of stucwerk. Licht speelt misschien wel de belangrijkste rol. Daarom plaatsten architecten hoge vensters naast de trap, een vide boven het bordes of zelfs een lichtkoepel boven in het gebouw. Daardoor viel het daglicht diep het huis binnen en veranderde de sfeer gedurende de dag voortdurend. Ook kroonluchters werden zorgvuldig gepositioneerd, vaak precies boven een bordes, zodat zij vanuit meerdere verdiepingen zichtbaar waren. Zelfs de verlichting maakte onderdeel uit van de architectonische compositie.

 

IEDERE BOUWSTIJL VERTELT EEN ANDER VERHAAL

Wie verschillende trappenhuizen vergelijkt, ontdekt al snel dat iedere bouwperiode haar eigen vormentaal heeft. De Lodewijkstijlen kenmerken zich door rijke ornamenten, sierlijke balustrades en monumentale bordestrappen. De Jugendstil kiest juist voor vloeiende lijnen en organische vormen, terwijl de Amsterdamse School hout, glas-in-lood, metselwerk en verlichting samenbrengt in één krachtig totaalontwerp. Art Deco introduceert vervolgens strakkere geometrische lijnen en een meer ingetogen elegantie. Na de Tweede Wereldoorlog verschuift de aandacht naar functionaliteit en verdwijnen veel ornamenten uit het trappenhuis.

 

OOK OP EEN TRAP GOLDEN REGELS

Een trappenhuis bepaalde vroeger niet alleen de route door het huis, maar ook de omgangsvormen. Zo hoorde een heer nooit vlak achter een dame een trap op te lopen. Door de lange jurken van de achttiende en negentiende eeuw werd dat als ongepast beschouwd. Wanneer een dame als eerste naar boven ging, wachtte de heer totdat zij vrijwel boven was voordat hij verder liep. Bij het afdalen gold juist het tegenovergestelde. Dan liep de heer vóór de dame, zodat hij haar kon ondersteunen wanneer zij zou uitglijden. Ook dat laat zien hoe nauw architectuur en dagelijks leven met elkaar waren verweven.

 

DE TIJD ALS MEDEONTWERPER

Misschien zijn de mooiste details van een historisch trappenhuis niet door de architect bedacht, maar door de tijd ontstaan. Een eiken leuning die door duizenden handen spiegelglad is geworden, een trede die na twee eeuwen een paar millimeter is uitgesleten of een traploper waarvan de messing roedes nog altijd op hun oorspronkelijke plaats zitten, vertellen samen het verhaal van generaties bewoners. Dat zijn geen beschadigingen, maar gebruikssporen die een gebouw karakter geven.

 

LEREN KIJKEN

Als bouwkunstmakelaar blijf ik in een historisch trappenhuis daarom altijd even staan voordat ik verder loop. Ik kijk hoe het licht door de ruimte beweegt, hoe de trap zich ontvouwt en hoe iedere verdieping met de volgende is verbonden. Pas dan begrijp je hoe zorgvuldig een architect de route door een huis heeft ontworpen.

Bij redres geloven we dat architectuur niet alleen zichtbaar wordt in een indrukwekkende gevel of een fraaie plattegrond, maar juist ook in de ruimtes waar mensen dagelijks doorheen bewegen. Een goed trappenhuis verbindt niet alleen verdiepingen, maar ook architectuur, vakmanschap, geschiedenis en menselijk gedrag. De volgende keer dat je een monument bezoekt, loop dan niet direct door naar de woonkamer. Blijf halverwege de trap eens staan, kijk om je heen en ontdek hoe de architect je blik al eeuwen geleden heeft gestuurd. Grote kans dat je daarna nooit meer gedachteloos een historisch trappenhuis binnenloopt.

 

In deel 48 openen we letterlijk een nieuw hoofdstuk. We kijken naar historische deuren, kozijnen, bovenlichten en paneelverdelingen. Details die dagelijks worden gebruikt, maar verrassend veel vertellen over de ouderdom en de kwaliteit van een gebouw.

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres