Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #50: AANBELLEN DOOR DE EEUWEN HEEN. VAN DEURKLOPPER TOT VIDEODEURBEL
ER STAAT IEMAND VOOR DE DEUR
Het is een van de meest alledaagse handelingen die we kennen. Je loopt naar een voordeur, drukt op de bel en wacht tot iemand opendoet. Steeds vaker verschijnt de bewoner zelfs op een scherm, terwijl hij zich misschien honderden kilometers verderop bevindt. Toch is die eenvoudige handeling het resultaat van eeuwen technische ontwikkeling. De manier waarop bezoekers hun komst aankondigen veranderde voortdurend, maar de behoefte bleef altijd hetzelfde: laten weten dat er iemand voor de deur staat.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom niet alleen naar de voordeur zelf, maar ook naar de manier waarop bezoekers zich vroeger meldden. Een deurklopper, een porseleinen trekbel of een oud bellentableau vertelt vaak verrassend veel over de geschiedenis van een huis.
GEWOON AANKLOPPEN
Eeuwenlang bestond er maar één manier om je komst kenbaar te maken. Je klopte simpelweg op de deur. In kleine woningen was dat voldoende, maar naarmate huizen groter werden, ontstond een praktisch probleem. Een klop op de voordeur was in de keuken, op zolder of in de achterkamers nauwelijks nog te horen.
De oplossing was even eenvoudig als doeltreffend. Op de voordeur verscheen een deurklopper. Niet alleen beschermde die het hout tegen beschadigingen, hij produceerde ook een veel krachtiger geluid.
DE DEURKLOPPER ALS VISITEKAARTJE
Een deurklopper was meer dan een praktisch hulpmiddel. Hij hoorde bij de uitstraling van het huis. Smeden maakten eenvoudige ijzeren uitvoeringen, maar ook rijk versierde exemplaren van brons of messing in de vorm van een leeuwenkop, een hand, een dolfijn of andere decoratieve figuren. De voordeur vormde immers de eerste kennismaking met de bewoners en juist daar liet men graag zien oog te hebben voor kwaliteit en vakmanschap.
HET BELLENTABLEAU
Vanaf het einde van de negentiende eeuw verschenen in grotere herenhuizen, stadsvilla’s en buitenplaatsen steeds vaker mechanische belinstallaties. Naast de voordeur bevond zich een trekbel die via een draad en een stelsel van katrollen verbonden was met een bel in huis. Nog ingenieuzer waren de bellentableaus die tussen ongeveer 1880 en 1930 hun hoogtepunt beleefden.
In de keuken, pantry of dienstgang hing een houten of geëmailleerd tableau met een rij kleine bellen. Iedere bel hoorde bij een specifieke ruimte, zoals de salon, eetkamer, bibliotheek of slaapkamer. Zodra een bewoner aan een trekbel trok, kwam precies die bel in beweging. Het personeel wist daardoor onmiddellijk waar hun aanwezigheid gewenst was.
In veel monumenten hangen deze bellentableaus nog altijd op hun oorspronkelijke plaats. Ze herinneren aan een tijd waarin grote huishoudens draaiden op een zorgvuldig georganiseerde staf van dienstboden, lang voordat telefoons en intercoms hun intrede deden.
NIET IEDEREEN GEBRUIKTE DEZELFDE INGANG
Ook aanbellen kende vroeger zijn eigen etiquette. Gasten meldden zich aan de representatieve voordeur, terwijl leveranciers, personeel en ambachtslieden vaak een aparte dienstingang gebruikten. De melkboer, de bakker of de kolenboer kwamen zelden via de hoofdentree binnen. Zelfs de plaats waar je aanbelde vertelde dus iets over je rol binnen het huishouden.
DE ELEKTRISCHE DEURBEL
Aan het einde van de negentiende eeuw verscheen de elektrische deurbel. Daarmee brak een nieuw tijdperk aan. Eén druk op een knop was voldoende om een bel in huis te laten klinken. Voor veel gezinnen was dat een modern gemak, maar tegelijkertijd ook een teken van vooruitgang. Net als elektrische verlichting liet een deurbel zien dat een woning met haar tijd meeging.
Daardoor verdwenen veel oorspronkelijke deurkloppers, trekbellen en mechanische installaties. Ze leken overbodig geworden, terwijl ze juist een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van het huis vormden.
VAN INTERCOM NAAR RING
In de twintigste eeuw volgden de ontwikkelingen elkaar snel op. Appartementen kregen spreek-luisterverbindingen en later video-intercoms. Tegenwoordig sturen slimme videodeurbellen, zoals die van Ring, een melding naar een smartphone. Waar je ook bent, je kunt zien wie er voor de deur staat en zelfs een gesprek voeren zonder thuis te zijn.
Opvallend genoeg is de behoefte in al die eeuwen nauwelijks veranderd. We willen nog altijd weten dat er iemand voor de deur staat en vooral wie we binnenlaten. Alleen de techniek is veranderd.
LEREN KIJKEN
Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom altijd even naast de voordeur. Is de oorspronkelijke deurklopper nog aanwezig? Zie ik een oude trekbel of misschien zelfs een bellentableau? Zulke details worden gemakkelijk over het hoofd gezien, terwijl zij juist veel vertellen over de ontwikkeling van techniek, wooncultuur en dagelijks leven.
Bij redres geloven we dat architectuur niet alleen zichtbaar is in grote gebaren, maar juist ook in de kleinste details. De ontwikkeling van de deurklopper via het bellentableau en de elektrische deurbel naar de moderne videodeurbel laat zien hoe gebouwen zich voortdurend aanpassen aan nieuwe technieken, terwijl de menselijke behoefte onveranderd blijft. De volgende keer dat je aanbelt bij een monument, kijk dan eerst eens goed naar de voordeur. Grote kans dat je daar een verhaal ontdekt dat al meer dan een eeuw bezoekers welkom heet.
In deel 51 kijken we naar een ander onderdeel van het historische interieur dat vaak over het hoofd wordt gezien, maar onmisbaar was in vrijwel ieder huis: ingebouwde kasten, linnenkasten en vaste betimmeringen.
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.