Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #19: HOE HERKEN JE HISTORISCHE DAKBEDEKKING? VAN RIET TOT ZINKEN ROEVENDAK
Wie naar een historisch gebouw kijkt, blijft meestal hangen bij de gevel. Toch vertelt het dak minstens zoveel over de geschiedenis van een pand. De vorm van het dak valt direct op, maar de dakbedekking krijgt veel minder aandacht. Dat is jammer, want juist zij verraadt vaak de bouwperiode, de streek waarin een gebouw staat en soms zelfs latere verbouwingen. Wie eenmaal leert kijken naar historische dakbedekking, ontdekt dat een dak veel meer is dan een bescherming tegen regen. Het laat zien hoe techniek, vakmanschap, welvaart, regionale tradities en architectuur zich door de eeuwen heen hebben ontwikkeld.
Veel monumenten hebben bovendien niet meer hun oorspronkelijke dakbedekking. Dakpannen slijten, breken of worden vervangen en ook riet, leisteen of zink worden in de loop van de tijd vernieuwd. Daardoor bestaat een historisch dak soms uit verschillende generaties materialen. Ook die opeenvolgende lagen maken deel uit van de bouwgeschiedenis van een gebouw.
NIET IEDER DAK WAS MET DAKPANNEN GEDEKT
Nederland kende eeuwenlang een grote verscheidenheid aan dakbedekkingen. De keuze werd bepaald door de beschikbare materialen, de welstand van de eigenaar, de streek en de functie van het gebouw.
Op het platteland lagen veel boerderijen onder een rieten kap. In heuvelachtige gebieden werd vaker leisteen gebruikt, terwijl in steden gebakken dakpannen steeds belangrijker werden vanwege hun brandveiligheid. Monumentale herenhuizen, kerken en openbare gebouwen kregen bovendien regelmatig zinken, koperen of loden dakdelen op plaatsen waar dakpannen minder geschikt waren.
Wie goed kijkt, ziet dat de dakbedekking altijd een logisch antwoord vormt op de architectuur van het gebouw.
VAN ARM NAAR RIJK, EN WEER TERUG
Eeuwenlang vertelde de dakbedekking iets over de welstand van de eigenaar. Riet was goedkoop en overal beschikbaar. Boerderijen en eenvoudige woningen kregen daarom vaak een rieten dak. Gebakken dakpannen waren duurder. Ze moesten worden geproduceerd, vervoerd en gelegd door vaklieden. Een pannendak gold daardoor als een teken van welvaart en bood bovendien een veel grotere brandveiligheid.
Waarschijnlijk vindt ook de uitdrukking steenrijk hier haar oorsprong. Een huis van baksteen met een pannendak was eeuwenlang alleen bereikbaar voor de welgestelde eigenaar. Wie zich zo’n woning kon veroorloven, bezat letterlijk veel steen en behoorde tot de rijkere klasse van de samenleving.
Tegenwoordig is die verhouding vrijwel omgekeerd. Een traditioneel rieten dak behoort inmiddels tot de duurste dakbedekkingen die er zijn. Het vraagt gespecialiseerd vakmanschap, regelmatig onderhoud en hoogwaardige materialen. Daardoor is een rieten kap tegenwoordig vaak juist een kenmerk van exclusieve woonhuizen, monumentale boerderijen en landhuizen.
VAN MONNIK EN NON TOT VERBETERDE HOLLANDSE PAN
Wie goed kijkt, ziet dat ook dakpannen voortdurend zijn veranderd.
De oudste gebakken dakpan die nog veel op monumenten voorkomt is de monnik-en-nonpan. Daarbij wordt eerst een holle pan, de non, gelegd. Daaroverheen komt een bolle pan, de monnik. Samen vormen zij een waterdichte afdekking. Dit systeem werd al in de middeleeuwen toegepast en is nog altijd te vinden op kerken, kastelen en monumentale boerderijen.
Later verschenen de oude Hollandse pan en vervolgens de verbeterde Hollandse pan. Door de verbeterde sluitingen waren deze dakpannen beter bestand tegen regen en wind en konden ze sneller worden gelegd. Daarna volgde de Verbeterde Holle, die uitgroeide tot een van de meest toegepaste keramische dakpannen van Nederland.
Daarnaast kom je op historische gebouwen ook Tuile du Nord tegen, een dakpan met Franse oorsprong die vooral in Zuid-Nederland veel is toegepast.
Voor een geoefend oog geven deze verschillende dakpannen vaak een goede aanwijzing over de bouwperiode en soms ook over latere restauraties.
NIET IEDERE DAKPAN IS VAN KLEI
Na de Tweede Wereldoorlog verschenen op grote schaal betondakpannen. Ze waren goedkoper te produceren, maatvast en snel te verwerken. Voor de enorme woningbouwopgave van de wederopbouw was dat een logische ontwikkeling.
Vanuit architectonisch oogpunt verschillen betondakpannen echter duidelijk van traditionele keramische dakpannen. Ze zijn zwaarder, verouderen anders en missen vaak de subtiele kleurnuances en levendigheid van gebakken klei. Op veel historische gebouwen verandert daardoor het karakter van het dak. Restauratiearchitecten kiezen daarom bij monumenten vrijwel altijd voor keramische dakpannen die aansluiten bij het oorspronkelijke materiaal en het historische dakbeeld.
LEIEN VRAGEN EEN HEEL ANDER VAKMANSCHAP
Op kerken, kastelen, villa’s en buitenplaatsen kom je regelmatig leien daken tegen. Leisteen is duurzaam, relatief licht en bijzonder geschikt voor steile daken en torens.
Ook bij leien is de manier van dekken belangrijk. De bekendste systemen zijn de Maasdekking en de Rijndekking. Bij de Maasdekking overlappen de leien elkaar anders dan bij de Rijndekking, waardoor een afwijkend lijnenspel ontstaat. Ervaren leidekkers herkennen deze patronen direct. Net als bij metselwerk vraagt ook een leien dak veel ambachtelijk vakmanschap en een grondige kennis van traditionele technieken.
OOK ZINK, KOPER EN LOOD VERDIENEN AANDACHT
Niet ieder historisch dak bestaat uit dakpannen. Vooral op herenhuizen, stadsvilla’s en monumentale gebouwen komen regelmatig zinken roevendaken voor. Daarbij worden lange banen zink met opstaande felsnaden, de zogenaamde roeven, met elkaar verbonden. Dat levert een strak en verfijnd dakbeeld op dat uitstekend past bij de architectuur van de negentiende en vroege twintigste eeuw.
Daarnaast zie je op monumenten regelmatig koper en lood. Koper ontwikkelt in de loop van de tijd zijn karakteristieke groene patina en wordt vaak gebruikt op torens, koepels en bijzondere dakaccenten. Lood is vooral terug te vinden bij kilgoten, aansluitingen, dakkapellen en schoorstenen, waar een waterdichte aansluiting noodzakelijk is.
OOK DE AFWERKING VAN HET DAK IS VEELZEGGEND
Wie goed kijkt, ziet dat niet alleen de dakbedekking belangrijk is. Ook de afwerking zegt veel over de bouwperiode en de kwaliteit van het vakwerk. Dakvorsten, beginvorsten, eindvorsten, hoekkepervorsten en speciaal gevormde gevelpannen zorgen voor een waterdichte en verzorgde afwerking van het dak.
Op veel monumenten zie je bovendien bijzondere nokversieringen, zoals een houten makelaar, een sierlijke piron of een windvaan. Zulke details waren niet alleen decoratief, maar benadrukten ook de status van het gebouw.
Zelfs de hellingshoek van een dak is niet willekeurig. Iedere dakbedekking kent een minimale dakhelling. Een monnik-en-nondak vraagt een andere helling dan een verbeterde Hollandse pan of een zinken roevendak. Dakvorm en dakbedekking zijn daarom altijd nauw met elkaar verbonden.
OUDE DAKPANNEN ZIJN VAAK BETER DAN NIEUWE
Tijdens restauraties ontstaat regelmatig de vraag of alle oude dakpannen vervangen moeten worden. Het antwoord is meestal nee. Oude keramische dakpannen lijken soms versleten, maar zijn vaak nog uitstekend bruikbaar. Restaureren begint daarom niet met vervangen, maar met beoordelen.
Iedere oorspronkelijke dakpan die behouden kan blijven, draagt bij aan de authenticiteit van een monument. Bovendien hebben oude pannen door tientallen of soms honderden jaren blootstelling aan weer en wind een natuurlijke patina gekregen. Kleine kleurverschillen, mos en korstmos geven een dak een levendigheid die met volledig nieuwe dakpannen nauwelijks is te evenaren.
EEN DAK ONTHULT VAAK MEER DAN DE GEVEL
Tijdens bezichtigingen kijk ik altijd even omhoog. Niet alleen naar de vorm van het dak, maar ook naar de nokvorsten, kilgoten, schoorstenen, dakkapellen, goten en de dakbedekking. Regelmatig zie je dat een aanbouw andere pannen heeft dan het oorspronkelijke huis of dat een deel van het dak ooit is vernieuwd na stormschade of een restauratie.
Soms laat het dak zelfs zien uit welke streek een gebouw afkomstig is. In kleigebieden werden andere dakpannen geproduceerd dan in gebieden waar riet of leisteen de meest logische keuze was. Ook handelsroutes speelden een rol. Sommige dakpannen legden honderden kilometers af voordat zij uiteindelijk op een Nederlands dak terechtkwamen.
GOED KIJKEN BEGINT BOVENAAN
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 kijk ik tijdens een bezichtiging altijd naar de samenhang tussen de kapconstructie, de dakvorm, de goten en de dakbedekking. Juist op het dak wordt zichtbaar hoeveel kennis en vakmanschap eerdere generaties in een gebouw hebben geïnvesteerd. Een dak is nooit zomaar een afsluiting van een gebouw, maar een essentieel onderdeel van de architectuur.
Bij redres proberen we gebouwen daarom altijd als geheel te begrijpen. De keuze voor riet, keramische dakpannen, leisteen, koper of een zinken roevendak is nooit toevallig. Zij zegt iets over de bouwtijd, de functie van het gebouw, de financiële mogelijkheden van de opdrachtgever en de technische kennis van de bouwmeester.
ACHTER IEDER DAK SCHUILT EEN BOUWGESCHIEDENIS
Dit is het negentiende deel van Leren kijken naar architectuur. In deze serie laat ik zien dat gebouwen veel meer vertellen dan we op het eerste gezicht vermoeden. De dakbedekking lijkt misschien een vanzelfsprekend onderdeel van een gebouw, maar laat zien hoe klimaat, materiaalontwikkeling, regionale bouwtradities, restauratiefilosofie en eeuwen vakmanschap samenkomen. Wie eenmaal het verschil herkent tussen een rieten kap, een monnik-en-nondak, een oude Hollandse pan, een verbeterde Hollandse pan, een Verbeterde Holle, een leien dak of een zinken roevendak, kijkt voortaan met andere ogen naar de skyline van iedere stad, ieder dorp en ieder monument.
In het volgende deel van deze serie kijken we omhoog naar een ander opvallend onderdeel van historische gebouwen: de schoorsteen. Waarom hadden oude huizen vaak meerdere schoorstenen en wat zeggen zij over de oorspronkelijke indeling van een gebouw?
Een serie van Jan-Willem Andriessen, bouwkunstmakelaar sinds 2003, oprichter van redres en specialist in architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.