LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #17: WAAROM OUDE DEUREN BIJNA ALTIJD EEN BOVENLICHT HEBBEN
17/09 4 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #17: WAAROM OUDE DEUREN BIJNA ALTIJD EEN BOVENLICHT HEBBEN

Wie een monumentaal woonhuis, herenhuis of boerderij bezoekt, ziet boven de voordeur vaak een klein raam. Soms bestaat het uit helder glas, soms uit glas-in-lood en soms is het rijk voorzien van roeden of smeedwerk. Veel mensen beschouwen zo’n bovenlicht als een sierlijk detail. Toch had het oorspronkelijk vooral een praktische functie. Sterker nog, zonder bovenlicht zouden veel historische huizen een stuk donkerder zijn geweest.

Wie eenmaal begrijpt waarom bovenlichten werden toegepast, ontdekt dat ook dit ogenschijnlijk kleine onderdeel veel vertelt over de ontwikkeling van architectuur, wooncomfort, bouwtechniek en vakmanschap. Het is een detail dat je gemakkelijk over het hoofd ziet, maar dat een belangrijke rol speelt in de compositie van vrijwel iedere historische entree.

LICHT WAS KOSTBAAR

Voordat elektriciteit zijn intrede deed, was daglicht de belangrijkste lichtbron in huis. Architecten en timmerlieden deden daarom alles om het beschikbare licht zo diep mogelijk een woning binnen te brengen. De hal of gang lag meestal midden in het huis en had vaak geen eigen ramen. Door een bovenlicht boven de voordeur aan te brengen, viel het daglicht toch diep de woning binnen. Daardoor werd niet alleen de entree lichter, maar ook de aangrenzende gang en soms zelfs het trappenhuis.

Vooral in stedelijke woningen met smalle gevels was dat een slimme oplossing. Iedere straal daglicht werd benut en een bovenlicht maakte het mogelijk om een donkere ruimte toch prettig bruikbaar te houden.

 

EEN BOVENLICHT ZORGDE OOK VOOR VENTILATIE

Veel historische bovenlichten waren niet alleen bedoeld om licht binnen te laten, maar konden ook worden geopend. Daarmee ontstond een eenvoudige maar doeltreffende vorm van natuurlijke ventilatie. Warme lucht stijgt immers op. Door het bovenlicht te openen, kon warme lucht ontsnappen terwijl via ramen of deuren elders in het huis koelere lucht naar binnen werd gezogen.

Lang voordat mechanische ventilatie bestond, maakten bouwmeesters al slim gebruik van natuurlijke luchtstromen. Vooral tijdens warme zomerdagen verbeterde dat het binnenklimaat aanzienlijk. In verschillende delen van Nederland wordt een te openen bovenlicht ook wel een snijraam genoemd, al is die benaming niet overal gebruikelijk.

 

HET KALF BEPAALT DE ENTREE

Tussen de voordeur en het bovenlicht bevindt zich vrijwel altijd een horizontaal houten onderdeel. Dat heet het kalf. Het kalf heeft een constructieve functie doordat het de belasting boven de deuropening opvangt, maar bepaalt tegelijkertijd de verhoudingen van de gehele entree.

Bij veel monumenten zijn de profilering, de afmetingen en de detaillering van het kalf nog oorspronkelijk. Wanneer tijdens een verbouwing het bovenlicht verdwijnt, verdwijnt vaak ook het kalf. Daardoor verandert ongemerkt de hele compositie van de gevel. De voordeur oogt lager, zwaarder en mist de verfijning die de oorspronkelijke architect voor ogen had.

Juist zulke details laten zien dat architectuur niet alleen bestaat uit grote gebaren, maar vooral uit zorgvuldig gekozen verhoudingen.

 

GLAS-IN-LOOD MAAKTE HET LICHT ZACHTER

Vanaf de negentiende eeuw werden bovenlichten steeds vaker voorzien van glas-in-lood. Dat gebeurde niet alleen omdat het mooi was. Gekleurd of geslepen glas verspreidde het licht gelijkmatiger en bood tegelijkertijd meer privacy. Wie buiten stond, kon minder gemakkelijk naar binnen kijken, terwijl het daglicht wel ongehinderd naar binnen viel.

Vooral in woningen uit de Jugendstil, de Amsterdamse School en het begin van de twintigste eeuw groeide het bovenlicht uit tot een belangrijk onderdeel van het totale ontwerp. De voordeur, het kozijn, het kalf, het glas-in-lood en het smeedwerk vormden samen één architectonische compositie waarin ieder onderdeel zorgvuldig op elkaar was afgestemd.

 

OOK DE VORM VERTELT IETS OVER DE BOUWPERIODE

Wie verschillende bovenlichten met elkaar vergelijkt, ziet dat zij sterk veranderen door de tijd. Achttiende-eeuwse woningen hebben vaak een eenvoudig rechthoekig of licht gebogen bovenlicht met fijne roeden. In de negentiende eeuw verschijnen rijkere profileringen, geslepen glas en steeds meer decoratieve detaillering. Rond 1900 ontstaan de kleurrijke glas-in-loodcomposities die we vandaag vaak met monumentale woningen associëren. Tijdens de Amsterdamse School worden de patronen abstracter en krijgt ook de vorm van het kozijn steeds meer aandacht.

Daardoor kan een bovenlicht verrassend veel vertellen over de bouwperiode van een gebouw of over een latere verbouwing. Soms blijkt juist het bovenlicht een aanwijzing dat een entree ooit is vernieuwd.

 

NIET IEDER BOVENLICHT IS NOG OORSPRONKELIJK

Tijdens bezichtigingen hoor ik regelmatig dat een woning nog volledig origineel is. Toch zijn juist bovenlichten vaak aangepast. Vooral in de jaren zestig en zeventig verdwenen veel bovenlichten omdat grotere deuren in de mode kwamen, tocht moest worden tegengegaan of modernisering belangrijker werd gevonden dan behoud van historische details.

Gelukkig is die waardering de afgelopen decennia veranderd. Bij restauraties worden verdwenen bovenlichten steeds vaker teruggebracht of zorgvuldig gerestaureerd. Daarbij wordt soms gebruikgemaakt van monumentenglas of vacuümglas, zodat ook de isolatiewaarde kan worden verbeterd zonder de historische uitstraling van de entree aan te tasten.

 

EEN ENTREE IS ONTWORPEN ALS ÉÉN GEHEEL

Tijdens een bezichtiging kijk ik nooit alleen naar de voordeur. De entree bestaat uit veel meer onderdelen die samen één architectonisch geheel vormen. De deur, het kozijn, het kalf, het bovenlicht, het beslag, de dorpel en soms ook de omlijsting bepalen gezamenlijk de eerste indruk van een gebouw.

Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 merk ik dat mensen een monument anders gaan bekijken zodra zij begrijpen waarom al die onderdelen met elkaar samenhangen. Een bovenlicht blijkt dan geen decoratie meer te zijn, maar een slimme combinatie van licht, ventilatie, constructie en architectuur.

Bij redres proberen we gebouwen daarom altijd als geheel te lezen. Juist in de kleinste details schuilt vaak de grootste kennis van de architect of timmerman die het gebouw ooit ontwierp.

 

MEER DAN EEN RAAM BOVEN EEN DEUR

Dit is het zeventiende deel van Leren kijken naar architectuur. In deze serie laat ik zien dat gebouwen veel meer vertellen dan we op het eerste gezicht vermoeden. Een bovenlicht lijkt misschien een bescheiden onderdeel van een gevel, maar vertelt over licht, ventilatie, vakmanschap, architectuurgeschiedenis en de manier waarop bouwmeesters eeuwenlang dachten over comfort en proportie. Wie voortaan langs een monument of karakteristieke woning loopt, kijkt waarschijnlijk niet alleen meer naar de voordeur, maar ook naar het bovenlicht, het kalf en de detaillering daaromheen. Juist daar blijkt vaak hoeveel aandacht vroeger werd besteed aan een entree.

Een serie van Jan-Willem Andriessen, bouwkunstmakelaar sinds 2003, oprichter van redres en specialist in architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres