Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #40: WAAROM OUDE HUIZEN COMFORTABELER WAREN DAN JE DENKT
Wie een monument of oud woonhuis bezoekt, hoort regelmatig dezelfde opmerking: “Het zal hier vroeger wel ontzettend koud zijn geweest.” Dat klinkt logisch. Geen vloerverwarming, geen warmtepomp, geen HR++-glas en geen mechanische ventilatie. Toch is de werkelijkheid genuanceerder. Onze voorouders bouwden hun huizen niet primitief, maar verrassend slim. Ze beschikten niet over moderne installaties, maar begrepen als geen ander hoe je een comfortabel huis kon maken met de middelen die beschikbaar waren.
Als bouwkunstmakelaar merk ik tijdens bezichtigingen dat veel mensen historische woningen beoordelen alsof het nieuwbouwhuizen zijn. Dat is begrijpelijk, maar eigenlijk vergelijk je twee totaal verschillende werelden. Oude huizen zijn ontworpen voor een andere manier van wonen. Begrijp je die manier van leven, dan begrijp je ook waarom veel monumenten prettiger zijn dan op het eerste gezicht lijkt.
Het grootste verschil zit misschien wel in onze verwachtingen. Tegenwoordig vinden we het normaal dat iedere ruimte in huis ongeveer dezelfde temperatuur heeft. De woonkamer, keuken, badkamer, slaapkamers en zelfs de zolder worden het liefst allemaal gelijkmatig verwarmd. Dat idee is nog helemaal niet zo oud. Eeuwenlang verwarmde men alleen de ruimte waarin werd geleefd. De woonkamer of woonkeuken vormde het warme hart van het huis. De slaapkamers waren koel, de kelder bleef koud en de zolder volgde grotendeels de buitentemperatuur. Dat was geen gebrek, maar een bewuste manier van wonen.
Ook mensen zelf pasten zich veel sterker aan de seizoenen aan. In de winter droeg men meerdere lagen kleding, wollen sokken en dikke truien. ’s Nachts sliep men onder zware dekens of in een bedstede die de lichaamswarmte goed vasthield. In de zomer gingen juist de luiken open, werden ramen tegenover elkaar gezet en zocht men de koelte van dikke muren en schaduwrijke bomen op. Comfort ontstond niet alleen door techniek, maar vooral door de manier waarop mensen met hun woning leefden.
De gebouwen zelf hielpen daarbij. Dikke bakstenen muren slaan warmte op en geven die langzaam weer af. Daardoor blijven monumenten in de zomer vaak verrassend koel. Luiken hielden niet alleen inbrekers buiten, maar ook de winterkou en de felle zomerzon. Kleine ramen beperkten warmteverlies en diepe neggen temperden direct zonlicht. Architectuur was veel meer afgestemd op het klimaat dan wij tegenwoordig vaak beseffen.
Ook ventilatie werkte anders. Oude huizen waren nooit volledig luchtdicht. Via schoorstenen, roosters, kieren en slecht sluitende ramen vond voortdurend natuurlijke luchtverversing plaats. Dat kostte weliswaar wat warmte, maar voorkwam tegelijkertijd vochtproblemen en schimmelvorming. Veel monumenten ademen als het ware. Pas wanneer ze volledig worden afgesloten met moderne materialen raken ze soms uit balans.
Wie goed kijkt, ontdekt dat ook de indeling van een woning daarop was afgestemd. Woonkamers lagen vaak op de zonnige zijde van het huis, terwijl voorraadkamers, kelders en dienstruimten juist aan de koelere noordkant werden geplaatst. Bomen zorgden voor schaduw in de zomer en lieten in de winter juist het lage zonlicht door. Zonder computersimulaties of installatietechniek maakten onze voorouders slim gebruik van de eigenschappen van zon, wind en materiaal.
Dat betekent natuurlijk niet dat vroeger alles beter was. Een strenge winter bleef een strenge winter en ijsbloemen op de ramen waren heel normaal. Maar de manier waarop men daarmee omging was fundamenteel anders. Niet het gebouw moest zich voortdurend aanpassen aan de bewoners, maar de bewoners pasten hun manier van leven aan het gebouw en aan het ritme van de seizoenen. Die manier van denken zijn we voor een deel kwijtgeraakt.
Juist nu we zoeken naar duurzamer wonen, wordt die oude manier van handelen opnieuw interessant. Misschien hoeft niet iedere ruimte het hele jaar door exact dezelfde temperatuur te hebben. Misschien kunnen we weer leren gebruik te maken van de eigenschappen van een gebouw, in plaats van die met techniek volledig te willen overwinnen. Oude huizen laten zien dat comfort niet alleen ontstaat door steeds meer installaties, maar ook door slim ontwerpen, verstandig bouwen en bewust wonen.
Als bouwkunstmakelaar zie ik regelmatig hoe monumenten worden aangepast aan moderne woonwensen. Dat is vaak noodzakelijk, maar vraagt ook om respect voor de oorspronkelijke bouwkundige principes. Een dampopen muur, natuurlijke ventilatie, luiken, dikke muren en een slimme oriëntatie op de zon zijn geen achterhaalde technieken. Ze maken al eeuwen deel uit van onze bouwcultuur en blijken verrassend actueel in een tijd waarin duurzaamheid steeds belangrijker wordt.
Bij redres geloven we dat monumenten niet alleen iets vertellen over het verleden, maar ook over de toekomst. Ze laten zien dat goede architectuur meer is dan techniek alleen. Ze leert ons dat comfort ontstaat door de wisselwerking tussen gebouw, klimaat en mens. Misschien is dat wel de belangrijkste les die oude huizen ons nog altijd kunnen geven.
In deel 41 kijken we omhoog naar een onderdeel dat eeuwenlang bepalend was voor ieder huis: de schoorsteen. Waarom hadden oude woningen er vaak meerdere en wat vertelt een schoorsteen over de ontwikkeling van een gebouw?
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.