Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #67: DE KUNST VAN HET AANKOMEN. OVER OPRIJLANEN, TUINEN EN LANDSCHAPPEN
EEN BIJZONDER HUIS BEGINT NIET BIJ DE VOORDEUR
Wanneer we een woning bezoeken, lopen we vaak rechtstreeks naar de voordeur. Toch begint de architectuur veel eerder. Eigenlijk begint zij al op het moment dat een toegangshek opengaat, een oprijlaan zich ontvouwt of een slingerend pad langzaam uitzicht biedt op het huis.
Juist die eerste indruk is zelden toevallig. Eeuwenlang hebben architecten, tuinarchitecten en landschapsontwerpers zorgvuldig nagedacht over de manier waarop een bezoeker een huis beleeft. De aankomst vormt het eerste hoofdstuk van het verhaal dat een gebouw vertelt.
Bij redres besteden we daarom niet alleen aandacht aan het huis zelf. Ook de tuin, de oprijlaan, de bomen, de zichtlijnen en het landschap maken deel uit van de architectuur. Samen vormen zij één zorgvuldig ontworpen ensemble.
DE OPRIJLAAN VERTELT EEN VERHAAL
Een oprijlaan is veel meer dan een praktische verbinding tussen de openbare weg en een woning. Zij bepaalt het tempo waarop een bezoeker een huis ontdekt.
Bij sommige buitenplaatsen loopt de laan kaarsrecht naar de voordeur. Het huis wordt al van grote afstand zichtbaar en straalt rust, orde en symmetrie uit. Andere landgoederen kiezen juist voor een slingerende route waarbij het gebouw zich pas op het laatste moment laat zien. Iedere bocht wekt nieuwsgierigheid en maakt de aankomst spannender.
De oprijlaan is daarmee vergelijkbaar met de inleiding van een goed boek. Zij bepaalt de verwachtingen nog voordat de voordeur in zicht komt. De route is onderdeel van het ontwerp en bepaalt hoe een bezoeker het huis beleeft.
HET TOEGANGSHEK ALS EERSTE VISITEKAARTJE
Ook het toegangshek vertelt veel over een huis. Gemetselde pijlers, sierlijk smeedwerk, natuurstenen ornamenten of een familiewapen maakten duidelijk dat de bezoeker een bijzonder terrein betrad.
Soms stond naast het hek een portierswoning of een dienstwoning van waaruit bezoekers werden ontvangen. Op grotere buitenplaatsen vormde het toegangshek letterlijk de overgang van de openbare wereld naar het privéterrein van de eigenaar.
Wie goed kijkt, ziet dat veel historische toegangshekken nog altijd dezelfde functie vervullen. Zij markeren niet alleen een erfgrens, maar kondigen ook de architectuur aan die daarachter schuilgaat.
ARCHITECTUUR HOUDT NIET OP BIJ DE GEVEL
Veel mensen denken bij architectuur vooral aan gebouwen. Toch werden huis, tuin en landschap eeuwenlang als één geheel ontworpen.
De positie van een vijver, de aanleg van een slingerpad, de plaats van een boomgroep of een zorgvuldig gekozen doorkijk naar een kerktoren was zelden toeval. Alles droeg bij aan de beleving van het huis.
Daarom spreken we bij buitenplaatsen vaak over een ensemble. Niet alleen het gebouw is van belang, maar juist ook de samenhang tussen huis, tuin, oprijlaan, bijgebouwen en landschap. Wie één onderdeel verandert, beïnvloedt het geheel.
Juist die samenhang maakt veel historische buitenplaatsen en landhuizen zo bijzonder.
VAN FRANSE SYMMETRIE NAAR ENGELSE ROMANTIEK
De manier waarop tuinen werden ontworpen veranderde door de eeuwen heen.
In de zeventiende en achttiende eeuw overheerste de formele Franse tuin. Strakke lanen, symmetrische parterres, geschoren hagen, fonteinen en geometrische vijvers lieten zien dat de mens de natuur volledig beheerste. Alles was overzichtelijk, geordend en onder controle.
Later veranderde dat beeld ingrijpend. In Engeland ontstond een geheel nieuwe manier van ontwerpen. De formele lijnen maakten plaats voor glooiende grasvelden, slingerende paden, natuurlijke waterpartijen en zorgvuldig geplaatste boomgroepen. Het landschap leek spontaan te zijn ontstaan, terwijl iedere bocht en iedere zichtlijn zorgvuldig was ontworpen.
De grote inspirator achter deze ontwikkeling was de Engelse landschapsarchitect Lancelot "Capability" Brown. Hij ontwierp honderden landgoederen waarvan de natuur volledig vanzelfsprekend leek, terwijl in werkelijkheid iedere boom, vijver en zichtas het resultaat was van een doordacht ontwerp. Zijn ideeën vonden uiteindelijk ook hun weg naar Nederland.
ZOCHER, SPRINGER, COPIJN EN TERSTEEG
Nederland kent een rijke traditie van tuin- en landschapsarchitectuur.
Jan David Zocher sr. en vooral zijn zoon Jan David Zocher jr. introduceerden de Engelse landschapsstijl op talloze Nederlandse buitenplaatsen. Hun romantische ontwerpen met slingerende waterpartijen, boomgroepen en verrassende doorkijkjes behoren nog altijd tot de mooiste voorbeelden van Nederlandse landschapsarchitectuur.
Leonard Springer bouwde daarop voort en ontwierp honderden parken, villatuinen en begraafplaatsen. Ook de firma Copijn leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse tuinarchitectuur.
In de twintigste eeuw gaf tuinarchitect Dirk Tersteeg opnieuw een eigen gezicht aan de Nederlandse villatuin. Zijn ontwerpen laten zien dat architectuur en landschap niet los van elkaar kunnen worden gezien. Huis, terras, tuin, zichtlijnen en beplanting vormen één zorgvuldig ontworpen geheel.
Hun gezamenlijke werk maakt duidelijk dat een tuin veel meer is dan groen rondom een woning. Net als een gebouw is ook een tuin ontworpen.
MEER DAN ALLEEN SIER
Historische tuinen waren niet uitsluitend bedoeld om naar te kijken. Vrijwel iedere buitenplaats beschikte over een moestuin, boomgaard, oranjerie, druivenkas of muurkas. Hoge tuinmuren hielden warmte vast waardoor perziken, abrikozen en druiven ook in Nederland konden rijpen.
De tuin voorzag het huishouden van groenten, fruit, kruiden en bloemen en bood tegelijkertijd ruimte om te wandelen, gasten te ontvangen en van het landschap te genieten.
Schoonheid en functionaliteit gingen eeuwenlang vanzelfsprekend samen.
EXOTISCHE BOMEN ALS STATUSSYMBOOL
Net zoals een monumentaal huis rijkdom kon uitstralen, gold dat ook voor de tuin. Welgestelde eigenaren lieten bijzondere bomen en planten uit alle delen van de wereld overkomen.
Libanonceders, tulpenbomen, mammoetbomen, platanen en ginkgo's vormden levende verzamelingen die lieten zien dat de eigenaar belangstelling had voor botaniek, reizen en wetenschap.
Veel van deze bomen zijn inmiddels uitgegroeid tot monumentale exemplaren die soms ouder zijn dan de huidige bewoners en in enkele gevallen zelfs ouder dan delen van het huis zelf.
BOMEN ALS ARCHITECTUUR
Ook bomen maken deel uit van het ontwerp.
Een monumentale beuk, een rij leilinden langs een gevel, een kastanjelaan of een solitaire eik midden op een gazon zijn zelden toevallig geplant. Zij geven structuur aan het landschap, begeleiden zichtlijnen, zorgen voor schaduw en bepalen de schaal van een gebouw.
Bomen verbinden bovendien generaties. Bewoners komen en gaan, huizen wisselen van eigenaar, maar een eeuwenoude eik of beuk blijft vaak gewoon staan. Daardoor vormen bomen het levende geheugen van een plek.
Een jonge buitenplaats zonder bomen oogt kaal. Dezelfde buitenplaats krijgt vijftig of honderd jaar later een heel ander karakter. Misschien is dat wel de mooiste eigenschap van een goed ontworpen landschap: het wordt met de jaren steeds rijker.
PIET OUDOLF EN DE LEVENDE TUIN
Ook de tuinarchitectuur ontwikkelt zich voortdurend. Waar in de twintigste eeuw het strakke gazon, de coniferenhaag en de onderhoudsarme border lange tijd de norm waren, groeit tegenwoordig de waardering voor natuurlijke beplantingen die meebewegen met de seizoenen.
De Nederlandse tuinontwerper Piet Oudolf speelde daarin een belangrijke rol. Zijn ontwerpen bestaan uit vaste planten, siergrassen en beplantingen die niet alleen tijdens de bloei interessant zijn, maar juist ook daarna. Verdroogde bloemschermen, siergrassen, zaaddozen en winterstructuren blijven onderdeel van het ontwerp. Niet de kortstondige bloei staat centraal, maar de schoonheid van het hele jaar.
Internationale projecten zoals de High Line in New York, Lurie Garden in Chicago en Hauser & Wirth Somerset maakten duidelijk dat een tuin veel meer kan zijn dan een verzameling planten. Net als een gebouw is zij een zorgvuldig gecomponeerde ruimte waarin licht, kleur, structuur en beleving samenkomen.
Steeds vaker zien we deze manier van ontwerpen ook terug bij monumenten, buitenplaatsen en bijzondere woonhuizen. Daarmee sluit de moderne tuinarchitectuur verrassend goed aan bij de historische gedachte dat huis en landschap één geheel vormen.
EEN TUIN LEEFT MET DE SEIZOENEN
Een goed ontworpen tuin is niet alleen mooi in mei of juni. Juist de opeenvolging van de seizoenen maakt een tuin interessant.
In het voorjaar verschijnen de eerste bloesems en frisgroene bladeren. De zomer brengt kleur, geur en weelderige borders. In de herfst veranderen bomen in een palet van goud, rood en diepbruin, terwijl de winter de constructie van bomen, hagen en siergrassen zichtbaar maakt.
Iedere periode voegt een nieuwe laag toe aan hetzelfde ontwerp. Waar een gebouw er in januari vrijwel hetzelfde uitziet als in juli, verandert een tuin voortdurend. Misschien is dat wel haar grootste kracht.
BIODIVERSITEIT ALS NIEUWE ONTWERPOPGAVE
De tuin van vandaag heeft er een nieuwe functie bij gekregen. Waar vroeger een strak gazon en een perfect gesnoeide haag vaak het ideaal vormden, groeit tegenwoordig de aandacht voor biodiversiteit.
Bloeiende vaste planten trekken bijen en vlinders aan, struiken bieden beschutting aan vogels en oude bomen vormen een leefgebied voor talloze insecten, mossen en schimmels.
Daarmee wordt een tuin opnieuw onderdeel van een groter ecosysteem.
Opvallend genoeg sluit deze ontwikkeling goed aan bij historische buitenplaatsen. Ook daar waren waterpartijen, boomgroepen, weilanden en bospercelen altijd al met elkaar verbonden. Wat nu een moderne gedachte lijkt, heeft vaak diepe historische wortels.
EEN TUIN ONTWERPEN VOOR DE VOLGENDE GENERATIE
Misschien is er geen ontwerper die zoveel geduld moet hebben als een tuinarchitect.
Waar een architect na de oplevering een vrijwel voltooid gebouw ziet, begint voor een tuinarchitect het echte werk pas. Een beukenlaan moet groeien, een solitaire eik ontwikkelt zijn karakteristieke kroon pas na tientallen jaren en een landschapspark bereikt soms pas na een halve of zelfs een hele eeuw zijn uiteindelijke schoonheid.
Een tuinarchitect ontwerpt daarom niet alleen voor zijn opdrachtgever, maar ook voor diens kinderen, kleinkinderen en alle generaties daarna. De tijd is misschien wel zijn belangrijkste bouwmateriaal.
Dat zien we terug in het werk van ontwerpers als Capability Brown, Zocher, Springer, Copijn, Dirk Tersteeg en Piet Oudolf. Hun ontwerpen worden niet ieder jaar opnieuw gemaakt, maar groeien langzaam naar hun uiteindelijke vorm. Veel van de bomen die vandaag het karakter van een buitenplaats bepalen, waren ooit jonge aanplant. De ontwerpers hebben het eindbeeld vaak nooit zelf gezien, maar hun visie bepaalt nog iedere dag de kwaliteit van die omgeving.
Misschien is dat wel het mooiste aan tuinarchitectuur. Je ontwerpt niet alleen voor vandaag, maar vooral voor mensen die er over vijftig of honderd jaar nog zullen wandelen.
LEREN KIJKEN
Als bouwkunstmakelaar begint een bezichtiging voor mij niet bij de voordeur. Zij begint zodra het toegangshek opengaat. De oprijlaan, de bomen, de zichtlijnen, de tuin en het landschap vertellen vaak al meer over een huis dan de gevel alleen.
Bij redres kijken we daarom niet uitsluitend naar gebouwen, maar naar het complete ensemble. Een monumentale villa zonder haar oude bomen, een buitenplaats zonder oprijlaan of een landhuis zonder zorgvuldig ontworpen tuin verliest een belangrijk deel van zijn betekenis. Architectuur houdt niet op bij de gevel. Zij strekt zich uit over het landschap.
Misschien is een tuin daarom wel de meest levende vorm van architectuur. Een gebouw is op de dag van oplevering vrijwel voltooid. Een tuin staat dan pas aan het begin van haar ontwikkeling. Iedere lente, iedere zomer, iedere herfst en iedere winter voegt een nieuwe laag toe aan het ontwerp. De tijd is er geen tegenstander, maar een medearchitect.
Misschien is dat wel het mooiste verschil tussen een architect en een tuinarchitect. De één ontwerpt een gebouw voor zijn eigen tijd. De ander ontwerpt een landschap voor generaties die hij zelf waarschijnlijk nooit zal ontmoeten. Dat vraagt visie, geduld en vertrouwen in de toekomst. Misschien is juist daarom een goed ontworpen tuin een van de mooiste vormen van cultureel erfgoed die we kunnen doorgeven.
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.