Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #64: FOTOGRAFIE. VAN PORTRETSCHILDER TOT SMARTPHONE
EEN FOTO WAS OOIT EEN KOSTBAAR BEZIT
We maken tegenwoordig zonder erbij na te denken honderden foto’s per maand. Met één druk op de knop leggen we een gebouw, een vakantie, een maaltijd of een familiemoment vast. Slechts een klein deel bekijken we ooit nog terug.
Nog geen anderhalve eeuw geleden was dat onvoorstelbaar. Fotografie was kostbaar, tijdrovend en bijzonder. Iedere opname moest zorgvuldig worden voorbereid. Filmrolletjes waren beperkt, ontwikkelen kostte geld en afdrukken vergde vakmanschap. Een foto maakte je niet zomaar. Je dacht na voordat je op de ontspanknop drukte.
Juist daarom vertegenwoordigt een oude foto veel meer dan alleen een afbeelding. Zij is een tastbaar tijdsdocument.
DE FOTOGRAFIE NAM DE PLAATS VAN HET PORTRET OVER
Eeuwenlang was een portret uitsluitend weggelegd voor de welgestelde burgerij en de adel. Wilde je jezelf, je echtgenoot of je kinderen laten vereeuwigen, dan gaf je een schilder opdracht. Zo’n portret kostte veel geld en nam soms weken of maanden in beslag. De schilder bepaalde hoe je werd afgebeeld en vaak ook hoe je herinnerd zou worden.
Met de komst van de fotografie veranderde dat volledig. Ineens kon vrijwel iedereen zich laten portretteren. De foto democratiseerde het portret. Wat eeuwenlang alleen voor de elite bereikbaar was, werd langzaam toegankelijk voor vrijwel iedereen.
Dat had onverwacht ook grote gevolgen voor de schilderkunst. Nu de fotografie de werkelijkheid steeds nauwkeuriger kon vastleggen, hoefden schilders zich niet langer uitsluitend bezig te houden met een natuurgetrouwe weergave. Er ontstond ruimte voor experiment. Impressionisten gingen spelen met licht, expressionisten met emotie, kubisten met vorm en uiteindelijk ontstond de abstracte kunst. In zekere zin bevrijdde de fotografie de schilderkunst van haar documentaire taak.
DE EERSTE FOTO’S VROEGEN EINDELOOS GEDULD
De eerste fotografen werkten met grote houten camera’s op een statief. Belichtingstijden duurden soms vele seconden of zelfs minuten. Wie werd gefotografeerd, moest zo stil mogelijk blijven zitten. Dat verklaart waarom negentiende-eeuwse portretten vaak zo ernstig ogen. Lachen was eenvoudigweg nauwelijks vol te houden.
Ook gebouwen werden met grote zorg gefotografeerd. Dankzij dat geduld beschikken we tegenwoordig over prachtige historische opnamen van monumenten, dorpen en stadsgezichten die soms verrassend weinig veranderd blijken te zijn.
DE DONKERE KAMER WAS BIJNA EEN LABORATORIUM
Fotograferen hield vroeger niet op zodra de sluiter dichtging. Het echte werk begon vaak pas daarna. Veel enthousiaste fotografen richtten thuis een donkere kamer in. Soms in een kelder, soms in een voormalige badkamer of een berging waarvan de ramen zorgvuldig waren verduisterd.
In veel monumentale huizen die wij via redres verkopen, komen we zulke donkere kamers nog altijd tegen. Regelmatig staan de vergroter, ontwikkelbakken, maatbekers, droogrekken, filmblikken en flessen met ontwikkelaar en fixeervloeistof er nog alsof de eigenaar gisteren zijn laatste foto’s heeft afgedrukt.
Dat blijft fascinerend. De hobbyfotograaf maakte niet alleen de opname, maar ontwikkelde zijn negatieven zelf en drukte iedere foto eigenhandig af op lichtgevoelig fotopapier. Onder een rood veiligheidslampje verscheen het beeld langzaam in de ontwikkelschaal. Ontwikkelaar, stopbad en fixeervloeistof vormden samen een bijna magisch proces waarbij een leeg vel papier langzaam veranderde in een foto.
Wie ooit in een donkere kamer heeft gestaan, begrijpt hoeveel geduld en vakmanschap fotografie vroeger vroeg. De hobbyfotograaf was tegelijkertijd cameraman, laborant, drukker en beeldredacteur.
DE DIA-AVOND HOORDE BIJ HET GEZIN
Naast zwart-witfoto’s werden dia’s razend populair. Na de vakantie kwamen familie en vrienden bijeen voor een dia-avond. De gordijnen gingen dicht, de projector begon zacht te zoemen en op een wit scherm verschenen de vakantiefoto’s één voor één.
Het kenmerkende klikgeluid van de diacarrousel behoort voor veel mensen nog altijd tot het collectieve geheugen. Misschien duurden die avonden soms iets te lang, maar ze vormden wel een moment waarop herinneringen gezamenlijk werden beleefd.
VAN FILMROLLETJE NAAR KLEURENLAB
Kodak, Agfa en Fujifilm brachten fotografie binnen het bereik van vrijwel iedereen. Filmrolletjes met twaalf, vierentwintig of zesendertig opnamen bepaalden hoeveel foto’s je kon maken. Pas na het ontwikkelen ontdekte je of de foto’s werkelijk waren gelukt.
Daardoor keek je anders. Je wachtte op het juiste moment, koos zorgvuldig je compositie en drukte niet gedachteloos af. Iedere opname kostte immers geld.
DE DIGITALE REVOLUTIE
De digitale camera veranderde fotografie ingrijpend. Geheugenkaartjes vervingen filmrolletjes en foto’s konden direct worden bekeken. Mislukte opnamen verdwenen met één druk op de knop en fotografen kregen de vrijheid om veel meer te experimenteren.
Ook de nabewerking veranderde volledig. Waar fotografen vroeger uren in de donkere kamer doorbrachten, gebeurde dat voortaan achter een beeldscherm. Programma’s als Adobe Photoshop en later Lightroom maakten het mogelijk om belichting, contrast, kleurtemperatuur en perspectief nauwkeurig te corrigeren zonder chemicaliën of fotopapier.
Voor architectuurfotografie betekende dat een enorme stap vooruit. Verticale lijnen konden worden gecorrigeerd, storende kleurzweem verwijderd en details subtiel versterkt, terwijl de essentie van het gebouw behouden bleef. Lightroom is daarmee eigenlijk de moderne donkere kamer geworden.
DE SMARTPHONE MAAKTE VAN IEDEREEN EEN FOTOGRAAF
Misschien nog ingrijpender was de komst van de smartphone. Vrijwel iedereen draagt tegenwoordig een hoogwaardige camera op zak. Daardoor worden niet langer tientallen foto’s per jaar gemaakt, maar duizenden.
Fotografie veranderde van een bijzondere gebeurtenis in een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven. Vakanties, kinderen, maaltijden, gebouwen en huisdieren worden voortdurend vastgelegd.
Opmerkelijk genoeg worden veel van die foto’s nooit meer afgedrukt. Waar vroeger fotoalbums generaties lang in de boekenkast stonden, leven beelden tegenwoordig vooral op harde schijven en in de cloud.
LEREN KIJKEN
Als bouwkunstmakelaar kijk ik met bijzondere belangstelling naar oude foto’s van een gebouw. Zij laten niet alleen zien hoe een monument eruitzag, maar ook hoe mensen erin leefden. Het meubilair, de gordijnen, de tuin, de auto’s voor de deur en zelfs de kleding vertellen een verhaal. Oude foto’s vormen daardoor een onmisbare bron voor iedereen die de geschiedenis van een huis wil begrijpen.
Bij redres zien we fotografie niet als de laatste stap van een verkoopproces, maar als een manier om architectuur vast te leggen voor toekomstige generaties. Een goede foto laat niet alleen zien hoe een gebouw eruitziet, maar ook waarom het de moeite waard is om te bewaren.
Misschien kijken wij daarom tegenwoordig anders naar foto’s dan vroeger. Een foto was ooit een kostbaar object dat zorgvuldig werd gemaakt, ontwikkeld, afgedrukt, ingeplakt en jarenlang werd bewaard in een album. Nu maken we duizenden foto’s per jaar, maar drukken we er nog maar weinig af. Nog nooit hebben we zoveel beelden gemaakt en tegelijk zo weinig tastbare herinneringen achtergelaten. Dat maakt fotografie uiteindelijk veel meer dan techniek. Zij bewaart niet alleen een beeld, maar ook een moment dat anders voorgoed verloren zou zijn.
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.