LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #15: HOE HERKEN JE OUDE BAKSTENEN? VAN KLOOSTERMOP TOT WAALTJE
15/09 5 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #15: HOE HERKEN JE OUDE BAKSTENEN? VAN KLOOSTERMOP TOT WAALTJE

Wie langs een historisch gebouw loopt, ziet meestal eerst de kleur van de bakstenen. Pas wanneer je beter kijkt, valt iets anders op. De stenen hebben lang niet altijd hetzelfde formaat. Sommige zijn opvallend lang en dun, andere juist kort en hoog. Zelfs binnen één gevel kunnen verschillen zichtbaar zijn. Dat is geen slordigheid en ook geen gevolg van slijtage. De afmetingen van een baksteen vertellen vaak verrassend veel over de ouderdom van een gebouw, de plaats waar de steen is gemaakt en de bouwcultuur van dat moment.

Wie eenmaal leert kijken naar het formaat van bakstenen, ontdekt dat een gevel al veel van zijn geschiedenis vertelt, nog voordat er één archiefstuk is geraadpleegd. Voor bouwhistorici, restauratiearchitecten en bouwkunstmakelaars vormen bakstenen dan ook een belangrijke bron van informatie. Niet voor niets kan een ervaren oog vaak al een eerste inschatting maken van de bouwperiode, nog voordat de eerste bouwtekening op tafel ligt.

EEN BAKSTEEN WAS EEUWENLANG HANDWERK

Tegenwoordig verlaten miljoenen vrijwel identieke bakstenen jaarlijks de fabriek. Dat beeld bestond eeuwenlang niet. Tot ver in de negentiende eeuw werden bakstenen grotendeels met de hand gevormd. De klei werd in een houten mal gedrukt, gedroogd en vervolgens gebakken. De uiteindelijke maat hing af van de gebruikte mal, de samenstelling van de klei en de krimp tijdens het drogen en bakken.

Er bestond geen landelijke standaard. Iedere steenbakkerij werkte met eigen mallen en eigen tradities. Daardoor ontstonden regionale verschillen die vandaag nog steeds zichtbaar zijn. Een gevel in Groningen kan daardoor een ander steenformaat hebben dan een gebouw uit dezelfde periode in Zeeland, Limburg of Noord-Holland. Juist die regionale verschillen maken historische bakstenen zo interessant voor iedereen die architectuur en monumenten beter wil begrijpen.

 

VAN KLOOSTERMOP TOT STRENGPERSSTEEN

Nederland kent een verrassende rijkdom aan bakstenen. De oudste en grootste zijn de bekende kloostermoppen, die vanaf de twaalfde eeuw werden gebruikt voor kerken, kloosters, kastelen en andere belangrijke gebouwen. Ze konden meer dan dertig centimeter lang zijn en geven middeleeuws metselwerk zijn robuuste karakter.

Vanaf de zestiende en zeventiende eeuw verschijnen steeds vaker de kleinere IJsselstenen. Deze relatief harde bakstenen, gemaakt van rivierklei uit het IJsselgebied, maakten verfijnder metselwerk mogelijk en zijn kenmerkend voor veel historische stadswoningen, boerderijen en monumentale gebouwen.

Later volgen de bekende waalstenen of waaltjes. Dankzij hun slanke formaat konden metselaars sneller werken en kregen gevels een rustiger en eleganter lijnenspel. Veel negentiende-eeuwse architectuur is met dit formaat opgetrokken.

Tot ver in de negentiende eeuw bleven handvormstenen de standaard. Iedere steen was net iets anders, waardoor historische gevels een levendig beeld kregen. Met de komst van de industrialisatie verschenen vervolgens de vormbaksteen en de strengperssteen. Bij een vormbaksteen wordt de klei machinaal in een mal geperst, terwijl bij een strengperssteen een lange streng klei wordt gevormd en vervolgens machinaal in gelijke stenen wordt gesneden. Beide productiemethoden leveren maatvastere stenen op, waardoor het metselwerk strakker en regelmatiger oogt dan bij oudere gevels.

Ook architecten maakten bewust gebruik van steenformaten. Willem Marinus Dudok liet zien dat een baksteen veel meer is dan een bouwmateriaal. Door zorgvuldig gekozen formaten, dun voegwerk en een uitgekiend metselpatroon kregen zijn gebouwen hun kenmerkende horizontale belijning en verfijnde uitstraling. De baksteen werd daarmee een belangrijk ontwerpmiddel.

 

NIET IEDERE STEEN WAS BEDOELD VOOR DE BUITENGEVEL

Historische gebouwen bestaan zelden uit één soort steen. Voor gevels werden harde, goed gebakken bakstenen gebruikt die bestand waren tegen weer en wind. Binnenmuren werden vaak opgetrokken uit eenvoudiger materiaal. Daar kom je regelmatig boerengrauw of andere minder hard gebakken bakstenen tegen. Omdat deze muren niet aan regen en vorst werden blootgesteld, hoefden ze minder duurzaam te zijn.

Vanaf de twintigste eeuw nam kalkzandsteen deze functie steeds vaker over. De witte of lichtgrijze stenen zijn sterk, maatvast en uitstekend geschikt voor dragende binnenmuren. Daardoor zie je kalkzandsteen veel terug in woningen uit de twintigste eeuw, terwijl de buitengevel meestal uit keramische bakstenen bleef bestaan.

Ook tegenwoordig worden naast keramische bakstenen veel betonstenen toegepast. Ze zijn technisch uitstekend, zeer maatvast en geschikt voor uiteenlopende toepassingen. Voor restauraties van monumenten worden echter meestal keramische bakstenen gebruikt, omdat beton een andere structuur, kleur en veroudering kent dan traditionele kleibaksteen.

 

OOK EEN METSELAAR LEEST EEN GEVEL

Voor een ervaren metselaar zijn steenformaten veel meer dan afmetingen. Ze bepalen hoe een muur wordt opgebouwd en welke stenen nodig zijn om een metselverband goed te laten sluiten.

Daarvoor worden naast hele stenen ook kleinere vormstenen gebruikt. De bekendste is de klezoor, een in de lengte gehalveerde baksteen die ervoor zorgt dat de verticale voegen netjes verspringen. Daarnaast bestaan onder meer drieklezoren en de minder bekende klisklezoor, ook wel gekliste steen genoemd. Zulke stenen worden toegepast op plaatsen waar een standaardsteen niet uitkomt, bijvoorbeeld bij hoeken, neggen of ingewikkelde aansluitingen.

Voor de meeste voorbijgangers blijven deze stenen onzichtbaar. Voor een restauratiemetselaar of bouwhistoricus vormen ze juist waardevolle aanwijzingen over het vakmanschap waarmee een gevel ooit is gebouwd.

 

OOK DE VOEG VERTELT EEN VERHAAL

Wie alleen naar de baksteen kijkt, mist de helft van het verhaal. De verhouding tussen steen en voeg bepaalt namelijk voor een groot deel het karakter van een gevel.

Bij oudere gebouwen zie je vaak relatief dikke voegen. Dat had niet alleen met de maatvastheid van de stenen te maken, maar ook met de manier waarop werd gemetseld. Later werden stenen nauwkeuriger geproduceerd en konden de voegen smaller worden uitgevoerd. Ook de afwerking veranderde voortdurend. Platvolle voegen, knipvoegen, snijvoegen of verdiept voegwerk horen vaak bij een bepaalde bouwperiode en versterken het karakter van de gevel.

Minstens zo belangrijk is het metselverband. De manier waarop koppen en strekken elkaar afwisselen, vertelt vaak net zoveel over de ouderdom van een gebouw als de baksteen zelf. Halfsteensverband, kruisverband, kettingverband en Vlaams verband hebben ieder hun eigen geschiedenis. Omdat metselverbanden een wereld op zichzelf vormen, besteden we daar in het volgende deel van deze serie uitgebreid aandacht aan.

 

VERSCHILLENDE STEENFORMATEN BETEKENEN NIET ALTIJD VERSCHILLENDE BOUWPERIODEN

Tijdens bezichtigingen wordt regelmatig gedacht dat afwijkende bakstenen automatisch wijzen op een latere aanbouw. Dat kan inderdaad zo zijn, maar lang niet altijd.

Goede bakstenen waren kostbaar en werden na een sloop vaak opnieuw gebruikt. Daardoor kom je soms middeleeuwse stenen tegen in een jonger gebouw of zie je herstelwerk waarin oudere en nieuwere formaten naast elkaar voorkomen. Ook een dichtgezet raam, een vernieuwde schoorsteen of een gerepareerde gevel laat vaak subtiele verschillen zien in formaat, kleur of voegwerk.

Juist die afwijkingen maken een gebouw interessant. Ze laten zien dat een monument geen momentopname is, maar het resultaat van eeuwen bouwen, aanpassen en herstellen.

 

EEN GEVEL BESTAAT UIT DUIZENDEN AANWIJZINGEN

Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 kijk ik tijdens een bezichtiging regelmatig eerst naar het metselwerk. Niet alleen naar de kleur van de stenen, maar ook naar hun formaat, de productiewijze, de manier waarop ze zijn verwerkt en het voegwerk. Op die manier ontstaat vaak al een eerste indruk van de geschiedenis van een gebouw, nog voordat bouwtekeningen of archiefstukken worden bekeken.

Bij redres proberen we gebouwen daarom altijd als geheel te lezen. Een baksteen staat nooit op zichzelf. Samen met de voeg, het metselverband, de kozijnen, de muurankers en de constructie vormt hij een bouwkundig verhaal dat soms eeuwen teruggaat. Wie leert kijken naar bakstenen, leert tegelijkertijd kijken naar de ontwikkeling van architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

 

ACHTER IEDERE BAKSTEEN SCHUILT VAKMANSCHAP

Dit is het vijftiende deel van Leren kijken naar architectuur. In deze serie laat ik zien dat gebouwen veel meer vertellen dan we op het eerste gezicht vermoeden. Een baksteen lijkt misschien het meest gewone bouwmateriaal van Nederland, maar achter de afmetingen, de vorm, de productiewijze en de toepassing schuilt een verhaal over ambacht, regionale tradities, bouwtechniek en architectuur. Wie eenmaal het verschil ziet tussen een kloostermop, een IJsselsteen, een waaltje, een handvormsteen en een strengperssteen, ontdekt dat een gevel niet uit duizenden willekeurige stenen bestaat, maar uit duizenden zorgvuldig gekozen bouwstenen die samen de geschiedenis van een gebouw vertellen.

Een serie van Jan-Willem Andriessen, bouwkunstmakelaar sinds 2003, oprichter van redres en specialist in architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres