Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #14: HOE HERKEN JE EEN RESTAURATIE UIT DE JAREN ZEVENTIG?
Wie een monument bezoekt, denkt al snel dat alles wat oud oogt ook werkelijk oud is. Toch heeft vrijwel ieder historisch gebouw meerdere levens achter de rug. De gevel die we vandaag zien, is vaak het resultaat van eeuwen bouwen, verbouwen, herstellen en restaureren. Daarbij kreeg iedere periode haar eigen opvattingen over hoe je met erfgoed moest omgaan.
Juist de restauraties uit de jaren zeventig zijn vaak verrassend goed herkenbaar. Niet omdat ze slecht zijn uitgevoerd, maar omdat ze voortkomen uit een tijd waarin de monumentenzorg een fundamentele verandering doormaakte. Oude gebouwen werden niet langer gezien als hinderlijke obstakels voor vernieuwing, maar als waardevolle onderdelen van onze geschiedenis die behouden moesten blijven. Dat enthousiasme leidde tot duizenden restauraties, waarvan de sporen nog altijd zichtbaar zijn.
DE MONUMENTENZORG KREEG EEN NIEUWE IMPULS
Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen veel historische gebouwen. Binnensteden werden gemoderniseerd, complete buurten maakten plaats voor nieuwbouw en het behoud van oude panden stond lang niet altijd voorop. In de jaren zestig groeide daartegen het verzet. Bewoners, architecten, historici en actiegroepen vroegen steeds nadrukkelijker aandacht voor het bestaande gebouw.
In de jaren zeventig leidde dat tot een golf van restauraties. Gemeenten gingen monumenten inventariseren, subsidies werden beschikbaar gesteld en steeds meer eigenaren investeerden in herstel. Veel gebouwen die wij vandaag vanzelfsprekend vinden, danken hun voortbestaan aan die periode.
RESTAUREREN BETEKENDE TOEN VAAK VERNIEUWEN
De restauratiefilosofie van vijftig jaar geleden verschilt op onderdelen van de manier waarop we daar nu naar kijken. Tegenwoordig proberen restauratoren zoveel mogelijk oorspronkelijk materiaal te behouden. In de jaren zeventig lag de nadruk vaker op herstel van het historische beeld, ook wanneer daarvoor nieuwe materialen moesten worden toegepast.
Versleten kozijnen werden regelmatig volledig vervangen in plaats van plaatselijk gerepareerd. Voegwerk werd vernieuwd, complete dakconstructies werden hersteld en natuursteen werd soms vervangen door nieuw materiaal dat er weer “als vroeger” uitzag.
Met de kennis van nu zouden sommige keuzes anders worden gemaakt. Dat betekent echter niet dat deze restauraties verkeerd waren. Ze weerspiegelen de inzichten van hun tijd en hebben talloze monumenten voor verder verval behoed.
JE ZIET HET VAAK IN DE DETAILS
Wie goed kijkt, kan restauraties uit de jaren zeventig regelmatig herkennen. Nieuwe bakstenen sluiten net niet helemaal aan bij het oude metselwerk. Voegwerk oogt strakker dan de oorspronkelijke delen. Houten kozijnen zijn ambachtelijk gemaakt, maar missen soms de verfijning van achttiende- of negentiende-eeuws timmerwerk.
Ook zie je regelmatig dat oude onderdelen opnieuw zijn gebruikt. Een historische deur werd teruggeplaatst in een nieuw kozijn of een oude gevelsteen kreeg een plaats in een grotendeels vernieuwde gevel. Juist die combinatie van oud en nieuw is kenmerkend voor veel restauraties uit deze periode.
Wie eenmaal op deze details let, ontdekt dat een gebouw vaak veel meer bouwfasen heeft doorgemaakt dan op het eerste gezicht zichtbaar is.
OOK NIEUWE MATERIALEN DEDEN HUN INTREDE
De jaren zeventig waren een periode waarin traditionele bouwmaterialen werden gecombineerd met moderne technieken. Betonconstructies werden verborgen achter historische gevels, staal nam soms de functie van oude houten balken over en nieuwe isolatiematerialen deden voorzichtig hun intrede.
Dat leverde soms verrassende oplossingen op. Een monument kon zijn historische uitstraling behouden, terwijl de constructie grotendeels werd vernieuwd. Vanuit de straat is dat vaak nauwelijks zichtbaar, maar voor restauratiearchitecten en bouwhistorici vormen zulke ingrepen een interessant onderdeel van de geschiedenis van het gebouw.
IEDERE RESTAURATIE VERTELT IETS OVER HAAR EIGEN TIJD
Tijdens bezichtigingen hoor ik regelmatig dat een gebouw “helemaal origineel” is. Dat blijkt zelden het geval. Vrijwel ieder monument is aangepast aan veranderende woonwensen, nieuwe technieken of restauratieopvattingen. Juist daarin schuilt de kracht van historische architectuur. Een gebouw blijft zich ontwikkelen zonder zijn identiteit volledig te verliezen.
Een restauratie uit de jaren zeventig is daarom niet alleen een ingreep in een ouder gebouw. Zij is inmiddels zelf onderdeel geworden van de geschiedenis. Over vijftig jaar zullen restauraties uit onze eigen tijd waarschijnlijk op dezelfde manier worden bekeken.
GOED KIJKEN BETEKENT OOK DE RESTAURATIE LEREN ZIEN
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 probeer ik tijdens een bezichtiging niet alleen het oorspronkelijke gebouw te lezen, maar ook de latere toevoegingen te begrijpen. Een restauratie vertelt namelijk net zoveel over een gebouw als de oorspronkelijke bouwperiode. Zij laat zien hoe eerdere generaties naar erfgoed keken, welke keuzes zij maakten en welke technieken op dat moment beschikbaar waren.
Bij redres beoordelen we een monument daarom nooit uitsluitend op zijn ouderdom. Juist de verschillende bouwlagen maken een gebouw interessant. Een zorgvuldig uitgevoerde restauratie uit de jaren zeventig verdient net zoveel aandacht als een achttiende-eeuwse gevel of een middeleeuwse kapconstructie, omdat iedere periode een nieuw hoofdstuk toevoegt aan het verhaal van het gebouw.
EEN MONUMENT IS NOOIT AF
Dit is het veertiende deel van Leren kijken naar architectuur. In deze serie laat ik zien dat gebouwen veel meer vertellen dan we op het eerste gezicht vermoeden. Wie een restauratie uit de jaren zeventig leert herkennen, ontdekt dat ook herstelwerk inmiddels geschiedenis is geworden. Misschien is dat wel de belangrijkste les van monumentenzorg: een historisch gebouw is geen stilstaand object, maar een verhaal dat door iedere generatie opnieuw wordt aangevuld.
Een serie van Jan-Willem Andriessen, bouwkunstmakelaar sinds 2003, oprichter van redres en specialist in architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.