Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #26: VOEGWERK HERKENNEN. WAAROM EEN VOEG SOMS BELANGRIJKER IS DAN DE BAKSTEEN
Tijdens een bezichtiging kijken de meeste mensen naar de kleur van de baksteen. Begrijpelijk, want die bepaalt voor een groot deel het karakter van een gevel. Zelf kijk ik vaak eerst naar iets anders: de voeg. Dat klinkt misschien vreemd, maar juist het voegwerk vertelt vaak meer over de bouwperiode, de kwaliteit van het metselwerk en de manier waarop een gebouw door de jaren heen is onderhouden.
Een voeg lijkt op het eerste gezicht slechts de ruimte tussen twee bakstenen. In werkelijkheid is zij een essentieel onderdeel van de gevel. Zij verbindt de stenen, beschermt het metselwerk tegen regen en vorst en bepaalt voor een verrassend groot deel de uitstraling van een gebouw. Dezelfde baksteen kan met een andere voeg een compleet ander karakter krijgen. Daarom is een gevel nooit alleen een verzameling bakstenen, maar een samenspel van steen, mortel, voegwerk, licht en schaduw.
Wie leert kijken naar voegen, ontdekt dat een gevel veel meer vertelt dan alleen zijn kleur.
ZONDER VOEG BESTAAT GEEN GEVEL
Iedere gemetselde muur bestaat uit bakstenen en mortel. De mortel zorgt ervoor dat de stenen één geheel vormen en vangt kleine bewegingen in het metselwerk op. Nadat een muur is gemetseld, worden de zichtbare naden meestal afgewerkt. Dat noemen we voegen.
Voegwerk is dus veel meer dan een cosmetische afwerking. Een goede voeg voorkomt dat regenwater diep in de muur dringt, beschermt de bakstenen tegen weersinvloeden en bepaalt tegelijkertijd het uiterlijk van de gevel.
Binnen de monumentenzorg geldt daarom een belangrijk uitgangspunt: een voeg mag worden vervangen, een historische baksteen liever niet. De voeg is eigenlijk het slijtageonderdeel van de gevel. Net zoals een dakpan of een rieten dak na tientallen jaren onderhoud nodig heeft, zal ook voegwerk uiteindelijk vernieuwd moeten worden. Dat is geen teken van slecht onderhoud, maar juist van verstandig behoud.
LINTVOEG EN STOOTVOEG
Voordat we naar de verschillende voegtypen kijken, is het handig twee basisbegrippen te kennen.
De lintvoeg is de horizontale voeg tussen twee lagen bakstenen. Deze bepaalt voor een groot deel de horizontale belijning van een gevel.
De stootvoeg is de verticale voeg tussen twee naast elkaar liggende stenen. Juist deze voegen bepalen het ritme van het metselwerk.
Architecten spelen bewust met beide voegen. Door lintvoegen te benadrukken en stootvoegen minder zichtbaar te maken kan een gevel optisch langer en rustiger ogen. Door juist de stootvoegen te accentueren ontstaat een heel ander beeld. Voegwerk is daarmee een architectonisch instrument en niet alleen een technische afwerking.
DE PLATVOLLE VOEG
De platvolle voeg behoort tot de meest voorkomende voegtypen in Nederland. Daarbij wordt de voeg vrijwel gelijk afgewerkt met het oppervlak van de baksteen.
Deze voeg is relatief eenvoudig uit te voeren en biedt een goede bescherming tegen weersinvloeden. Daardoor werd hij veel toegepast bij woonhuizen uit de negentiende en twintigste eeuw en bij latere restauraties. De aandacht gaat vooral uit naar de baksteen zelf en minder naar de voeg.
Hoewel de platvolle voeg bescheiden oogt, vraagt ook deze uitvoering vakmanschap. Een slecht afgewerkte platvolle voeg valt direct op.
DE KNIPVOEG
Veel rijkere herenhuizen uit de negentiende eeuw bezitten een knipvoeg. Hierbij steekt de voeg iets uit ten opzichte van het metselwerk en wordt de bovenzijde strak afgesneden. Hierdoor ontstaat een scherp lijnenspel met subtiele schaduwwerking.
Het maken van een knipvoeg is arbeidsintensief. Iedere voeg wordt afzonderlijk afgewerkt. Daardoor was deze techniek duurder dan standaard voegwerk en werd zij vooral toegepast bij representatieve gebouwen.
Een goed uitgevoerde knipvoeg laat zien hoeveel aandacht vroeger aan details werd besteed. Het voegwerk vormt hier een belangrijk onderdeel van de architectuur.
DE SNIJVOEG
De snijvoeg lijkt op de knipvoeg, maar kent een andere afwerking. Ook hier ontstaat een strak gevelbeeld, alleen wordt de voeg anders afgesneden waardoor de lijnen nog verfijnder kunnen ogen.
Voor een leek lijken knip- en snijvoegen soms hetzelfde. Voor restauratiearchitecten en gespecialiseerde metselaars vormen ze twee verschillende technieken die ieder hun eigen uitstraling hebben.
Bij restauraties is het belangrijk dat het oorspronkelijke voegtype behouden blijft. Een monument met oorspronkelijk knipvoegwerk verliest een deel van zijn karakter wanneer dit wordt vervangen door een standaard platvolle voeg.
DOORGESTREKEN, VERDIEPTE EN BORSTELVOEGEN
In de twintigste eeuw verschenen nieuwe voegtechnieken die beter aansloten bij modernere architectuur.
Bij een doorgestreken voeg wordt de voeg glad afgewerkt waardoor regenwater gemakkelijk kan aflopen. De gevel krijgt daardoor een rustig en strak beeld.
De verdiepte voeg ligt enkele millimeters terug ten opzichte van de steen. Daardoor ontstaat extra schaduwwerking en worden de afzonderlijke bakstenen sterker zichtbaar. Vooral architectuur uit de wederopbouwperiode en latere woningbouw maakt hier veel gebruik van.
De borstelvoeg wordt na het voegen licht geborsteld. Hierdoor ontstaat een zachter en natuurlijker oppervlak dat mooi aansluit bij ambachtelijk metselwerk.
Ook deze verschillen lijken klein, maar bepalen samen de uitstraling van een complete gevel.
VOEGKLEUR BEPAALT HET KARAKTER VAN EEN GEBOUW
Niet alleen de vorm van de voeg is belangrijk. Ook de kleur speelt een grote rol.
Een lichte voeg laat iedere afzonderlijke baksteen duidelijk naar voren komen. De gevel oogt levendig en het metselwerk krijgt een fijn lijnenspel.
Een donkere voeg zorgt juist voor meer rust. De stenen lijken optisch dichter naar elkaar toe te groeien waardoor de gevel als één geheel wordt ervaren.
Architecten maken daar bewust gebruik van. Voegkleur is dus geen toevallige keuze van de metselaar, maar onderdeel van het ontwerp.
DUDOK BEGREEP ALS GEEN ANDER DE KRACHT VAN VOEGWERK
In Hilversum is dat prachtig zichtbaar in het werk van Willem Marinus Dudok. Zijn gebouwen draaien niet alleen om baksteen, maar juist om de manier waarop die baksteen is verwerkt.
Dudok gebruikte regelmatig het zogenoemde Hilversums formaat, een langgerekte baksteen die de horizontaliteit van zijn architectuur versterkte. Daarbij kregen de lintvoegen veel nadruk, terwijl de stootvoegen juist zo onopvallend mogelijk werden gehouden. Vaak werden de stootvoegen zeer smal uitgevoerd of optisch teruggedrongen, waardoor de gevel lange horizontale lijnen kreeg.
Ook de donkere, terugliggende voegen speelden daarbij een belangrijke rol. Het resultaat is een gevel die rust uitstraalt en waarin het metselwerk niet alleen constructie is, maar onderdeel van de architectonische compositie.
Wie eenmaal door Hilversum wandelt met oog voor voegwerk, ontdekt dat Dudok niet alleen gebouwen ontwierp, maar ook met schaduw, lijnen en metselwerk componeerde.
VOEGWERK VERTELT EEN VERHAAL
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 kijk ik tijdens bezichtigingen vaak eerst naar de voegen en daarna pas naar de baksteen. Zijn de voegen nog oorspronkelijk? Past de mortel bij de ouderdom van het gebouw? Zijn de lintvoegen en stootvoegen consequent uitgevoerd? Zulke details vertellen vaak meer over de geschiedenis van een gebouw dan een gevel die onlangs opnieuw is geschilderd.
Bij redres proberen we gebouwen daarom altijd als geheel te begrijpen. Juist in dit soort ogenschijnlijk kleine details wordt zichtbaar hoeveel kennis, vakmanschap en aandacht er vroeger in een gebouw werd geïnvesteerd.
In deel 27 kijken we naar herstelmetselwerk, opnieuw voegen, gevelreiniging en de vraag waarom oude muren zoveel dikker zijn dan moderne gevels.