Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #27: VERWARMEN DOOR DE EEUWEN HEEN. VAN OPEN VUUR TOT KOLENKACHEL
Wanneer ik tijdens een bezichtiging een oude schouw zie of een monumentale schoorsteen boven het dak zie uitsteken, vraag ik me altijd af hoe de bewoners hier vroeger leefden. Niet hoe warm het huis vandaag is, maar hoe het honderden jaren geleden werd verwarmd. Juist daar begint namelijk een belangrijk deel van de geschiedenis van een gebouw.
We zijn gewend geraakt aan thermostaten, radiatoren en vloerverwarming. Daardoor vergeten we gemakkelijk dat mensen eeuwenlang zonder centrale verwarming leefden. Toch waren kastelen, boerderijen, grachtenhuizen, buitenplaatsen en arbeiderswoningen geen koude ruïnes. Ze werden gebouwd voor de manier van leven van hun tijd. Wie historische gebouwen wil begrijpen, moet daarom ook begrijpen hoe zij werden verwarmd.
Verwarming heeft de architectuur veel sterker beïnvloed dan de meeste mensen beseffen. De plaats van de schoorsteen, de indeling van een woning, de grootte van vertrekken, de hoogte van plafonds en zelfs de plek van de bedstede hangen samen met de manier waarop vroeger werd gestookt. Verwarming is daarom niet alleen een technische voorziening, maar een belangrijk onderdeel van de bouwgeschiedenis.
HET OPEN VUUR WAS EEUWENLANG HET HART VAN HET HUIS
De oudste woningen werden verwarmd met een open vuur. In middeleeuwse hallenhuizen, boerderijen en eenvoudige woningen brandde dat vuur vaak midden in de ruimte. Van een gemetselde schoorsteen was nog geen sprake. De rook verdween via een rookgat in het dak of trok langzaam door het rieten dak naar buiten.
Dat klinkt voor ons onaangenaam, maar had ook voordelen. De rook hield de houten kapconstructie droog en beschermde het hout gedeeltelijk tegen insecten en schimmels. Daarnaast hielp rook bij het conserveren van vlees en andere levensmiddelen. De donkere eiken balken die we tegenwoordig zo karakteristiek vinden, danken hun kleur vaak niet alleen aan ouderdom, maar ook aan eeuwenlange blootstelling aan rook.
Het open vuur bepaalde bovendien de hele indeling van het huis. Mensen verzamelden zich rond de haard. Daar werd gekookt, gegeten, gewerkt en verteld. Warmte bracht letterlijk het gezin samen.
DE SCHOORSTEEN VERANDERDE DE ARCHITECTUUR
Een van de belangrijkste uitvindingen in de woningbouw was de gemetselde schoorsteen. Daardoor kon het vuur tegen een muur worden geplaatst en hoefde de rook niet langer door de hele woning te trekken.
Die ontwikkeling had enorme gevolgen. Plotseling konden huizen meerdere verdiepingen krijgen, ontstonden afzonderlijke kamers en werd het mogelijk verschillende ruimtes onafhankelijk van elkaar te verwarmen. Eigenlijk veranderde de schoorsteen niet alleen het comfort, maar de complete architectuur van het woonhuis.
Wie vandaag naar een historische schoorsteen kijkt, ziet dus veel meer dan een rookafvoer. Hij kijkt naar een bouwkundige innovatie die de manier van wonen ingrijpend heeft veranderd.
DE SCHOUW ALS MIDDELPUNT VAN HET DAGELIJKS LEVEN
In vrijwel ieder historisch huis vormt de schouw een belangrijk onderdeel van het interieur. Tegenwoordig zien we haar vooral als sfeervolle open haard, maar vroeger draaide het dagelijks leven letterlijk om deze plek.
Hier werd gekookt, brood gebakken, water verwarmd en gestookt. Rond de schouw werd gewerkt, gegeten en gepraat. In rijke huizen groeiden schouwen uit tot statussymbolen, uitgevoerd in natuursteen, marmer of rijk houtsnijwerk. In eenvoudige boerderijen bleef de schouw veel soberder, maar haar functie was precies dezelfde.
Wie een monument bezoekt, doet er goed aan niet alleen naar de ornamenten te kijken, maar zich ook af te vragen hoeveel levens zich rond deze haard hebben afgespeeld.
NIET IEDERE KAMER HOEFDE WARM TE ZIJN
Een van de grootste verschillen met vandaag is dat vroeger niet het hele huis werd verwarmd. Mensen verwarmden vooral de ruimte waarin zij op dat moment verbleven.
Slaapkamers bleven meestal koud. Gangen, opkamers, zolders en voorraadkamers eveneens. Alleen de woonkeuken of de dagelijkse woonkamer werd gestookt. Daardoor ontstond een heel andere manier van wonen dan wij tegenwoordig gewend zijn.
Dat verklaart ook waarom historische huizen vaak uit relatief kleine vertrekken bestaan. Een kleinere ruimte warmt sneller op en vraagt minder brandstof. Comfort betekende niet dat overal dezelfde temperatuur heerste, maar dat de ruimte waarin je verbleef aangenaam warm was.
VAN HOUT NAAR TURF
Eeuwenlang was hout de belangrijkste brandstof. Bossen leverden niet alleen bouwmateriaal, maar ook brandhout. Naarmate de bevolking groeide en bossen schaarser werden, kreeg turf een steeds belangrijkere rol.
Nederland beschikte over uitgestrekte veengebieden. Turf was relatief goedkoop, eenvoudig te winnen en goed te vervoeren. Vooral vanaf de Gouden Eeuw werd turf de belangrijkste warmtebron in grote delen van ons land. Complete landschappen veranderden door de turfwinning.
Dat verklaart ook waarom veel historische woningen zijn ontworpen rondom een relatief zuinige manier van stoken. Brandstof was kostbaar en werd niet verspild.
STEENKOOL EN COKES VERANDEREN HET WONEN
Vanaf de negentiende eeuw nam steenkool langzaam de plaats van turf over. De industriële revolutie maakte steenkool steeds beter beschikbaar en de hogere verbrandingstemperatuur zorgde ervoor dat woningen efficiënter konden worden verwarmd.
Later volgde cokes, een brandstof die schoner brandde en minder rook produceerde. Daardoor veranderden ook de kachels en schoorstenen. Zij werden kleiner, efficiënter en beter regelbaar.
Wie vandaag een oud kolenhok, een kolenkelder of een dichtgemetseld kolenluik aantreft, kijkt eigenlijk naar een hoofdstuk uit de Nederlandse energiegeschiedenis.
DE OPKOMST VAN DE KACHEL
Naast de ontwikkeling van nieuwe brandstoffen veranderde ook de techniek van het verwarmen. Waar een open haard veel warmte via de schoorsteen verloor, hield een gesloten kachel de warmte veel beter vast.
Er ontstonden allerlei varianten, zoals de potkachel, vulkachel, gietijzeren kachel, kolenkachel, cokeskachel en in Noord-Europa de prachtige tegelkachel, die urenlang warmte bleef afgeven nadat het vuur al was gedoofd.
De komst van de kachel betekende een enorme stap vooruit. Met minder brandstof kon een ruimte veel comfortabeler worden verwarmd.
SCHOORSTENEN VERTELLEN HOE EEN HUIS WERD GEBRUIKT
Tijdens bezichtigingen kijk ik altijd naar de schoorstenen. Niet alleen buiten, maar ook binnen. Het aantal rookkanalen zegt vaak iets over de oorspronkelijke indeling van een gebouw.
Een rijk herenhuis bezit vaak meerdere schouwen en dus ook meerdere rookkanalen. Een eenvoudige arbeiderswoning heeft meestal slechts één schoorsteen. Bij boerderijen ligt dat weer anders, omdat wonen en werken eeuwenlang onder één dak plaatsvonden.
Vaak zijn oude rookkanalen later dichtgezet toen centrale verwarming werd aangelegd. Toch blijven de sporen zichtbaar voor wie weet waar hij moet kijken. Juist daardoor kun je een gebouw vaak beter begrijpen.
EEN SCHOORSTEEN IS MEER DAN EEN PIJP OP HET DAK
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 kijk ik daarom anders naar een schoorsteen dan de meeste mensen. Voor mij vertelt zij niet alleen hoe een gebouw werd verwarmd, maar ook hoe het werd gebruikt, hoe rijk de bewoners waren en hoe de plattegrond oorspronkelijk was opgebouwd.
Bij redres proberen we gebouwen altijd als geheel te begrijpen. Niet alleen de architectuur is belangrijk, maar ook het dagelijks leven waarvoor die architectuur ooit werd ontworpen. Een schouw, een rookkanaal of een oude kolenkelder zijn geen overbodige relicten uit het verleden. Ze vormen tastbare herinneringen aan de manier waarop generaties bewoners hun huis verwarmden en bewoonden.
In deel 28 kijken we hoe olie, aardgas, centrale verwarming, de doorzonwoning en uiteindelijk de warmtepomp onze manier van wonen ingrijpend veranderden. Misschien kunnen historische gebouwen ons juist nu weer iets leren over comfort, energie en verstandig omgaan met warmte.
OVER DE AUTEUR
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur wil hij gebouwen toegankelijker maken voor een breed publiek en tegelijkertijd bijdragen aan de kennis over het Nederlandse gebouwde erfgoed.