Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #28: VAN CENTRALE VERWARMING TOT WARMTEPOMP. HOE TECHNIEK ONZE MANIER VAN WONEN VERANDERDE
Wie een woning uit de jaren zestig of zeventig binnenloopt, vindt het heel vanzelfsprekend dat iedere ruimte ongeveer dezelfde temperatuur heeft. De woonkamer is warm, de keuken ook, de slaapkamers eveneens en de badkamer misschien nog wel iets warmer. We draaien aan de thermostaat en verwachten dat het hele huis comfortabel aanvoelt.
Historisch gezien is dat eigenlijk heel bijzonder. Eeuwenlang verwarmden mensen alleen de ruimte waarin zij zich op dat moment bevonden. Pas sinds enkele tientallen jaren vinden we het normaal dat een complete woning dag en nacht op temperatuur blijft. Dat lijkt een logische ontwikkeling, maar is dat eigenlijk wel?
De geschiedenis van de centrale verwarming laat niet alleen zien hoe techniek zich ontwikkelde, maar ook hoe onze verwachtingen van comfort ingrijpend veranderden.
VAN OLIE NAAR AARDGAS
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Nederland in hoog tempo. Steeds meer woningen kregen een centrale verwarmingsinstallatie. In eerste instantie gebeurde dat vaak met een oliegestookte ketel. Vooral vrijstaande woningen, villa’s en buitenhuizen beschikten over een olietank in de tuin of kelder.
Alles veranderde na de ontdekking van het Groningse aardgasveld in 1959. Vanaf de jaren zestig werden miljoenen woningen aangesloten op het aardgasnet. In korte tijd verdwenen kolenkachels, kolenhokken en olietanks uit het straatbeeld. De cv-ketel werd de nieuwe standaard.
Dat was een revolutie. Voor het eerst hoefden bewoners niet langer iedere ochtend de kachel aan te steken, kolen te scheppen of as te verwijderen. Eén druk op de knop was voldoende.
RADIATOREN VERANDERDEN DE PLATTEGROND
Met de komst van de centrale verwarming verdwenen ook veel schouwen uit het dagelijks gebruik. Radiatoren namen hun plaats over.
Plotseling kon iedere ruimte afzonderlijk worden verwarmd. Slaapkamers, badkamers, studeerkamers en zolders werden volwaardige woonruimten. De plek van de haard verloor haar centrale functie. Het gezin hoefde zich niet langer rond één warmtebron te verzamelen.
Dat had zelfs invloed op de architectuur. Nieuwe woningen hoefden niet meer rondom een schoorsteen te worden ontworpen. Plattegronden werden vrijer en installaties namen langzaam de rol over die vroeger door de schouw werd vervuld.
DE DOORZONWONING VERANDERDE ONZE WOONCULTUUR
Misschien heeft geen woningtype onze verwachtingen over comfort zo sterk beïnvloed als de doorzonwoning uit de jaren vijftig, zestig en zeventig.
Deze woningen waren ontworpen voor licht, ruimte en modern wooncomfort. Dankzij centrale verwarming kon de hele woning op een aangename temperatuur worden gehouden. Dat was een enorme vooruitgang ten opzichte van eerdere generaties.
Maar tegelijkertijd veranderde ook onze manier van denken. Het werd vanzelfsprekend dat iedere kamer warm moest zijn, ook wanneer er niemand aanwezig was. Comfort kreeg een heel andere betekenis dan in de eeuwen daarvoor.
DE ENERGIECRISIS ZETTE ALLES OP ZIJN KOP
In 1973 veranderde dat beeld abrupt. De oliecrisis maakte duidelijk dat energie niet onbeperkt beschikbaar was. Plotseling verschenen campagnes om zuiniger te stoken. Huiseigenaren gingen isoleren, dubbel glas plaatsen en ketels efficiënter afstellen.
Sindsdien is energiebesparing een steeds belangrijker onderdeel van de woningbouw geworden. HR-ketels, betere isolatie, balansventilatie en uiteindelijk warmtepompen volgden elkaar in hoog tempo op.
Opvallend is dat de tijd tussen technologische ontwikkelingen steeds korter wordt. Hout bleef eeuwenlang de belangrijkste brandstof. Turf werd honderden jaren gebruikt. Steenkool en cokes bepaalden ruim een eeuw het straatbeeld. Aardgas veranderde Nederland binnen enkele tientallen jaren en inmiddels volgen warmtepompen, hybride installaties en nieuwe energiesystemen elkaar in hoog tempo op.
Een monument heeft tijdens zijn bestaan soms zes of zeven totaal verschillende verwarmingssystemen meegemaakt.
DE WARMTEPOMP IS OPNIEUW EEN OMSLAGPUNT
Vandaag bevinden we ons opnieuw in een overgangsperiode. De warmtepomp verandert niet alleen de installatie, maar vraagt ook om een andere manier van bouwen en wonen.
Warmtepompen werken het beste met lage temperatuurverwarming, goede isolatie en een gebouw dat weinig warmte verliest. Dat sluit uitstekend aan bij moderne nieuwbouw, maar vraagt bij historische gebouwen vaak om maatwerk.
Juist daarom is verduurzaming van monumenten een vak apart. Niet iedere oplossing die voor een nieuwbouwwoning geschikt is, past ook bij een zeventiende-eeuws grachtenpand of een negentiende-eeuwse boerderij. Een monument vraagt om een integrale benadering waarbij architectuur, bouwfysica en cultuurhistorie samenkomen.
MISSCHIEN KUNNEN OUDE HUIZEN ONS IETS LEREN
Wat mij tijdens bezichtigingen steeds weer opvalt, is dat we comfort tegenwoordig bijna vanzelfsprekend koppelen aan temperatuur. Toch deden mensen dat eeuwenlang heel anders.
Een historisch huis werd niet overal verwarmd. Men gebruikte de ruimtes die warm waren en sloot de deuren van de vertrekken die niet werden gebruikt. Warmte was kostbaar en werd bewust ingezet.
Dat betekent niet dat we terug moeten naar een koude slaapkamer of een onverwarmde gang. Wel laat het zien dat onze huidige norm helemaal niet zo vanzelfsprekend is als we vaak denken. Misschien is het helemaal niet logisch om een compleet huis dag en nacht op twintig of eenentwintig graden te houden wanneer we ons het grootste deel van de dag maar in één of twee ruimtes bevinden.
Juist nu duurzaamheid, energiebesparing en verantwoord omgaan met grondstoffen steeds belangrijker worden, kunnen historische gebouwen ons opnieuw iets leren. Niet omdat vroeger alles beter was, maar omdat mensen noodgedwongen zorgvuldig met energie omgingen.
OUDE GEBOUWEN KIJKEN ANDERS NAAR COMFORT
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 probeer ik tijdens bezichtigingen niet alleen te beoordelen hoe een gebouw vandaag functioneert, maar ook hoe het oorspronkelijk bedoeld was. Een monument is geen nieuwbouwwoning met een achterstand. Het is een gebouw dat is ontworpen vanuit een andere manier van leven, bouwen en omgaan met energie.
Bij redres proberen we die geschiedenis zichtbaar te maken. Niet uit nostalgie, maar omdat inzicht in het verleden helpt om betere keuzes voor de toekomst te maken. Een monument laat zien dat comfort niet uitsluitend ontstaat door techniek. Architectuur, materiaalgebruik, oriëntatie, dikke muren, luiken en een doordachte indeling speelden eeuwenlang minstens zo’n belangrijke rol.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van oude gebouwen. Techniek verandert voortdurend, maar verstandig omgaan met energie is van alle tijden.
OVER DE AUTEUR
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur wil hij gebouwen toegankelijker maken voor een breed publiek en tegelijkertijd bijdragen aan de kennis over het Nederlandse gebouwde erfgoed.