Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #59: SCHILDERIJEN. WAAROM MUREN VROEGER NOOIT LEEG WAREN
EEN HUIS VERTELT ZIJN VERHAAL NIET ALLEEN MET STENEN
Wanneer we een monument binnenlopen, gaat onze aandacht bijna vanzelf uit naar de architectuur. We bewonderen de monumentale trap, het stucplafond, de schouw of de hoge ramen. Pas daarna dwalen onze ogen af naar de schilderijen aan de muur. Toch vertellen juist die vaak minstens zoveel over een huis als de bakstenen, balken en ornamenten.
Eeuwenlang waren schilderijen veel meer dan decoratie. Zij lieten zien wie de bewoners waren, waar zij vandaan kwamen, wat zij belangrijk vonden en hoe zij herinnerd wilden worden. Een schilderij gaf status, vertelde een verhaal en maakte duidelijk tot welke familie of maatschappelijke kring iemand behoorde. Wie een historisch interieur wil begrijpen, kan daarom niet om de kunst aan de muur heen.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik niet alleen naar het schilderij zelf, maar ook naar de plaats waar het hangt. Vaak blijkt die al generaties lang onveranderd te zijn. Juist daardoor vormt een schilderij niet alleen een kunstwerk, maar ook een onderdeel van de architectuur van het huis.
VAN KERK NAAR BURGERWONING
In de middeleeuwen bevonden de meeste schilderingen zich in kerken, kloosters en kastelen. Religieuze voorstellingen bepaalden het beeld en hielpen Bijbelse verhalen begrijpelijk te maken voor een grotendeels ongeletterde bevolking. Slechts weinig burgers bezaten schilderijen in hun eigen woning.
Dat veranderde ingrijpend tijdens de Gouden Eeuw. Door de groeiende handel ontstond een welvarende burgerij die haar huizen wilde verfraaien met kunst. Nederland kreeg daardoor een uitzonderlijke positie in Europa. Niet alleen vorsten en adel verzamelden schilderijen, maar ook kooplieden, notarissen, artsen, reders en succesvolle ambachtslieden. Kunst verhuisde van paleizen en kerken naar de woonkamer en werd onderdeel van het dagelijks leven.
Daardoor ontstond iets wat wij tegenwoordig bijna vanzelfsprekend vinden: een woonhuis waarin architectuur en kunst elkaar aanvullen.
SCHILDERIJEN WAREN DE SELFIES VAN HUN TIJD
Eeuwen voordat de fotografie werd uitgevonden en lang voordat iedereen een smartphone in zijn broekzak had, lieten mensen zichzelf al vastleggen. Niet met een camera, maar met penseel en doek. In zekere zin was een portret de selfie van zijn tijd, al vergde die aanzienlijk meer geduld, vakmanschap en geld.
Waar wij tegenwoordig binnen enkele seconden tientallen foto’s maken, poseerde een opdrachtgever vroeger soms dagen of zelfs weken voor een schilder. Het resultaat was bovendien niet bedoeld voor een paar seconden op een beeldscherm, maar voor meerdere generaties. Een portret bleef vaak eeuwenlang in dezelfde familie en verhuisde mee van huis naar huis.
Toch is de overeenkomst verrassend groot. Ook vroeger wilden mensen laten zien wie zij waren. Een portret vertelde niet alleen hoe iemand eruitzag, maar vooral hoe hij of zij herinnerd wilde worden. Kleding, sieraden, boeken, een globe, een hond, een landschap of een rijk interieur waren zelden toevallig gekozen. Zij verwezen naar opleiding, beroep, rijkdom, geloof, internationale handel of maatschappelijke positie.
In feite vervulde een portret tegelijkertijd de rol van familiealbum, profielfoto, visitekaartje en nalatenschap. De techniek veranderde, maar de menselijke behoefte om een herinnering achter te laten is al eeuwen dezelfde.
DE SCHOUW VORMDE HET PODIUM VAN DE KAMER
Wie een historisch interieur goed bekijkt, ontdekt dat schilderijen zelden willekeurig aan de muur hangen. De belangrijkste plaats was vaak boven de schouw. Die vormde het architectonische middelpunt van de kamer en vroeg om een schilderij dat de compositie completeerde. In andere vertrekken hing juist een grote spiegel boven de schouw, zodat het daglicht en het licht van kaarsen werden weerkaatst.
Architectuur, schilderij, schouw en meubilair vormden samen één zorgvuldig ontworpen geheel. Juist daarom voelt een monument soms onvolledig wanneer een schilderij verdwijnt. Niet omdat de muur leeg is, maar omdat een belangrijk onderdeel van het oorspronkelijke interieur ontbreekt.
MUREN WAREN VROEGER ZELDEN LEEG
Wie tegenwoordig een interieur inricht, kiest vaak voor één groot schilderij of laat juist veel wandoppervlak onbedekt. Rust, eenvoud en witruimte zijn de norm geworden. In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw keek men daar heel anders tegenaan. Schilderijen werden dicht naast elkaar gehangen, vaak van plint tot plafond. Tegenwoordig noemen we dat een salonhanging.
Portretten, landschappen, zeegezichten, stadsgezichten, stillevens en religieuze voorstellingen vormden samen een zorgvuldig opgebouwde wand. Nieuwe schilderijen werden niet gekocht om een oud werk te vervangen, maar om de verzameling uit te breiden. Een lege muur werd eerder gezien als een teken dat een interieur nog niet af was dan als een bewuste esthetische keuze.
Juist daardoor vertellen oude interieurs ons ook iets over de verzamelcultuur van hun bewoners. De muur fungeerde als een persoonlijke galerie waarin herinneringen, reizen, familiegeschiedenis en smaak samenkwamen.
SCHILDERIJEN LEEFDEN MET HET LICHT
Voordat elektriciteit zijn intrede deed, speelde licht een veel grotere rol in de beleving van kunst. Overdag viel het daglicht via relatief hoge ramen naar binnen en bepaalde de stand van de zon hoe een schilderij eruitzag. ’s Avonds namen kaarsen, olielampen en later gaslicht die functie over. De warme gloed van een vlam bracht kleuren tot leven en liet vergulde lijsten fonkelen.
Daarom werden schilderijen zorgvuldig opgehangen. Niet recht tegenover een raam, waar hinderlijke reflecties ontstonden, maar vaak haaks op het invallende licht. Een schilderij moest zichtbaar zijn zonder dat de kijker zichzelf in de vernislaag terugzag.
Ook hierin zie je hoe architectuur en interieur elkaar beïnvloeden. De plaats van ramen, schouwen en schilderijen vormde samen een doordachte compositie waarin licht een hoofdrol speelde.
WAAROM OUDE SCHILDERIJEN VAAK DONKER LIJKEN
Veel bezoekers van historische huizen denken dat oude meesters een voorkeur hadden voor donkere kleuren. Dat beeld klopt maar ten dele. De oorzaak ligt vaak niet bij de schilder, maar bij de tijd.
Vrijwel ieder schilderij werd na voltooiing voorzien van een beschermende vernislaag. Die beschermde de verf tegen vuil en vocht en gaf de kleuren extra diepte. Na tientallen of honderden jaren begint zo’n vernislaag echter langzaam te vergelen. Blauwe luchten worden grijzer, witte stoffen krijgen een warme gloed en het hele schilderij oogt donkerder dan oorspronkelijk de bedoeling was.
Tijdens een restauratie wordt die vergeelde vernislaag soms voorzichtig verwijderd. Dan gebeurt iets bijzonders. Landschappen blijken ineens veel lichter, kleding krijgt haar oorspronkelijke kleur terug en gezichten lijken opnieuw door het licht te worden geraakt. Het is alsof een schilderij na eeuwen weer ademhaalt.
Juist daarom is het belangrijk niet te snel te oordelen wanneer een oud schilderij somber oogt. Soms kijk je niet naar de kleuren van de schilder, maar naar twee eeuwen verouderde vernis.
OOK EEN LEGE MUUR VERTELT EEN VERHAAL
Als bouwkunstmakelaar kijk ik niet alleen naar wat nog aanwezig is, maar juist ook naar wat verdwenen is. In monumentale huizen zie je regelmatig lichte rechthoeken op behang of wandbespanning, oude smeedijzeren ophaakogen, dichtgezette spijkergaten of verkleuringen in de verf. Dat zijn geen toevalligheden, maar stille sporen van schilderijen die daar misschien wel tientallen of zelfs honderden jaren hebben gehangen.
Juist zulke details maken een huis interessant. Ze laten zien hoe bewoners hun interieur hebben ingericht en hoe kamers in de loop van de tijd zijn veranderd. Soms is een verdwenen schilderij nog altijd zichtbaar, niet doordat het er hangt, maar doordat de muur zijn afwezigheid heeft onthouden.
Dat zijn de momenten waarop een monument zijn geschiedenis bijna fluisterend prijsgeeft. Je moet alleen leren kijken.
KUNST EN ARCHITECTUUR VERSTERKEN ELKAAR
Een goed schilderij doet veel meer dan een lege muur vullen. Het versterkt de architectuur van een ruimte. Een monumentale schouw vraagt om een ander formaat kunst dan een moderne woonkamer en een hoge kamer met een rijk stucplafond verdraagt een veel grotere compositie dan een nieuwbouwwoning met lage plafonds. Juist de verhouding tussen wand, schilderij en interieur bepaalt of een ruimte in balans aanvoelt.
Dat betekent overigens niet dat een historisch huis uitsluitend historische schilderijen nodig heeft. Integendeel. Een monument kan prachtig samengaan met hedendaagse kunst, zolang architectuur en kunst elkaar maar begrijpen. Een verstild landschap uit de zeventiende eeuw kan een monumentale salon rust geven, terwijl een abstract werk van bijvoorbeeld Armando, Ger Lataster of een hedendaagse kunstenaar juist een spannend contrast kan vormen met een historisch interieur. Niet de ouderdom van het schilderij is bepalend, maar de dialoog tussen kunst en architectuur.
Juist daarin schuilt volgens mij de kracht van een goed interieur. Het hoeft geen museum te worden, maar ook geen showroom. Wanneer architectuur, kunst, meubels en licht elkaar versterken, ontstaat een woning die vanzelfsprekend aanvoelt.
KUNST ALS ERFGOED
Schilderijen behoren vaak tot de laatste voorwerpen die een familie verkoopt. Niet omdat zij altijd de hoogste financiële waarde vertegenwoordigen, maar omdat zij herinneringen bewaren. Een familieportret, een landschap dat al generaties boven dezelfde schouw hangt of een stilleven dat ooit door grootouders werd gekocht, groeit langzaam uit tot onderdeel van de familiegeschiedenis.
Dat zie je ook terug bij nalatenschappen. Een kast of tafel wordt soms vervangen, maar schilderijen blijven opvallend vaak binnen de familie. Zij verhuizen mee, krijgen een nieuwe plaats en worden opnieuw doorgegeven. Daarmee vertellen zij niet alleen de geschiedenis van een gebouw, maar ook die van de mensen die er hebben gewoond.
Misschien is dat wel het grootste verschil met de foto’s die wij tegenwoordig dagelijks maken. Een digitale afbeelding verdwijnt gemakkelijk tussen duizenden andere bestanden op een telefoon of in de cloud. Een schilderij blijft zichtbaar aanwezig. Iedere dag opnieuw herinnert het bewoners en bezoekers aan dezelfde persoon, dezelfde gebeurtenis of hetzelfde landschap.
LEREN KIJKEN
Als bouwkunstmakelaar blijf ik daarom altijd even stilstaan bij de schilderijen in een monument. Ik kijk naar de hoogte waarop zij hangen, naar de lichtinval, naar de lijst, naar de verhouding met de schouw en zelfs naar de lege plekken waar ooit een schilderij moet hebben gehangen. Juist die details laten zien hoe bewoners een huis door de eeuwen heen hebben gebruikt en hoe architectuur en interieur samen één verhaal vertellen.
Bij redres geloven we dat een gebouw nooit alleen uit baksteen, hout en natuursteen bestaat. Een huis krijgt betekenis door de mensen die er hebben gewoond en door de voorwerpen die zij hebben achtergelaten. Schilderijen behoren misschien wel tot de meest persoonlijke daarvan. Zij laten niet alleen zien hoe iemand eruitzag of wat iemand mooi vond, maar ook hoe hij of zij herinnerd wilde worden.
De volgende keer dat je een monument bezoekt, kijk dan niet alleen naar het schilderij zelf. Kijk ook naar de plaats waar het hangt, de muur eromheen en het licht dat erop valt. Misschien ontdek je dan dat een schilderij veel meer doet dan een wand verfraaien. Het verbindt architectuur, bewoners en geschiedenis met elkaar en vormt daarmee een onmisbaar onderdeel van het verhaal dat een huis al generaties lang vertelt.
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.