LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #56: MEUBELS. HOE ONZE INRICHTING DE GESCHIEDENIS VAN HET WONEN VERTELT
26/10 5 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #56: MEUBELS. HOE ONZE INRICHTING DE GESCHIEDENIS VAN HET WONEN VERTELT

JE HERINNERT JE VAAK EERDER DE MEUBELS DAN HET HUIS

Sluit eens je ogen en denk terug aan het huis van je grootouders. Grote kans dat je niet als eerste de gevel of de plattegrond voor je ziet, maar de meubels. Misschien herinner je je het donkere eiken dressoir, de ronde salontafel, de vitrinekast met het goede servies, de leren fauteuil waarin opa altijd zat of juist de grenen kast uit de jaren tachtig. Meubels vormen het decor van onze herinneringen. We eten eraan, werken eraan, vieren verjaardagen, drinken koffie en voeren er de belangrijkste gesprekken van ons leven. Wie naar meubels leert kijken, ontdekt hoe mensen vroeger woonden en hoe iedere generatie haar eigen wooncultuur heeft achtergelaten.

Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom nooit alleen naar de architectuur. De inrichting vertelt minstens zoveel over een huis als de stenen waaruit het is opgebouwd. Een monument zonder passend interieur voelt vaak als een prachtig decor zonder verhaal.

DE EERSTE MEUBELS WAREN VOORAL PRAKTISCH

De oudste woningen waren eenvoudig ingericht. Een zware houten kist diende tegelijkertijd als opbergmeubel, kledingkast, bank en soms zelfs als reisbagage. Tafels bestonden uit een los blad op schragen en werden na het eten weer uit elkaar gehaald om ruimte te maken voor andere werkzaamheden. Stoelen waren kostbaar en lang niet voor iedereen vanzelfsprekend. De meeste mensen zaten op banken of krukken. Alleen de heer des huizes of een belangrijke gast beschikte over een stoel met armleuningen. Een stoel was daarmee niet alleen een meubel, maar ook een teken van aanzien en gezag.

Ook het bed was anders dan tegenwoordig. Het stond vaak in een afgesloten bedstede of was voorzien van zware gordijnen die tocht tegenhielden en de warmte vasthielden. Meubels waren in de eerste plaats bedoeld om het dagelijks leven mogelijk te maken.

 

DE MOOIE KAMER EN DE KEUKENTAFEL

Vanaf de zeventiende eeuw ontstond in welgestelde huizen een duidelijk verschil tussen wonen en representeren. De mooiste meubels stonden in de pronkkamer of mooie kamer. Hier werden gasten ontvangen en stonden het kostbare kabinet, de porseleinkast, de mooiste stoelen en het zilver uitgestald. Veel gezinnen gebruikten deze kamer slechts bij bijzondere gelegenheden.

Het dagelijkse leven speelde zich ondertussen af in de keuken of woonkeuken. De keukentafel was het hart van het gezin. Hier werd gegeten, aardappelen geschild, kleding versteld, de administratie bijgehouden, huiswerk gemaakt en bezoek ontvangen. Misschien is juist de keukentafel wel het meubel dat door de eeuwen heen het minst van functie is veranderd.

 

VAN AMBACHT NAAR INDUSTRIE

Eeuwenlang werd vrijwel ieder meubel gemaakt door een meubelmaker. Iedere stad kende haar eigen gilde, waarin vakmanschap van generatie op generatie werd doorgegeven. Een kast of tafel werd speciaal gemaakt voor één opdrachtgever en vaak zelfs voor één bepaalde ruimte in het huis. Daardoor vormden architectuur en interieur een vanzelfsprekend geheel.

De industriële revolutie veranderde dat voorgoed. Meubels konden voortaan machinaal worden geproduceerd en werden bereikbaar voor een veel groter publiek. Niet iedereen was daar enthousiast over. De Engelse Arts and Crafts-beweging onder leiding van William Morris verzette zich tegen de massaproductie en pleitte voor eerlijk materiaalgebruik, ambacht en kwaliteit. Die gedachte zou grote invloed krijgen op architecten en ontwerpers in heel Europa.

 

THONET VERANDERDE DE WERELD

Toch liet de industrie ook zien dat massaproductie schoonheid kon opleveren. Michael Thonet ontwikkelde een techniek waarbij hout met stoom werd gebogen. Zijn beroemde stoel nummer 14 werd vanaf het midden van de negentiende eeuw in miljoenen exemplaren geproduceerd. Cafés, restaurants en woonhuizen over de hele wereld werden ermee ingericht. Veel designhistorici beschouwen dit als het eerste echt industriële designmeubel.

Nog altijd kom je Thonetstoelen tegen in historische cafés, monumentale woningen en bibliotheken. Het ontwerp is zo sterk dat het na ruim anderhalve eeuw nauwelijks aan actualiteit heeft verloren.

 

ARCHITECTEN GINGEN OOK MEUBELS ONTWERPEN

Rond 1900 vonden steeds meer architecten dat zij niet alleen een gebouw moesten ontwerpen, maar ook het interieur. Hendrik Petrus Berlage ontwierp complete kamers waarin meubels, verlichting en architectuur één geheel vormden.

Gerrit Rietveld ging nog een stap verder. Zijn beroemde rood-blauwe stoel werd een icoon van De Stijl, maar misschien zijn zijn kratmeubelen nog revolutionairder. Ze werden ontworpen zodat iedereen ze zelf kon maken van eenvoudige standaardlatten en planken. Goed ontwerp hoefde volgens Rietveld niet duur te zijn. In het Rietveld Schröderhuis in Utrecht zijn architectuur en meubilair volledig met elkaar verweven. Zonder de meubels is het ontwerp eigenlijk niet compleet.

 

STAAL, KUNSTSTOF EN EEN NIEUWE MANIER VAN WONEN

In de jaren twintig en dertig verschenen de eerste stalen buismeubelen van ontwerpers als Marcel Breuer, Ludwig Mies van der Rohe en Willem Hendrik Gispen. De zware eiken meubels maakten plaats voor lichte constructies van gebogen staal. Dat paste perfect bij het Nieuwe Bouwen, waarin licht, lucht en ruimte centraal stonden.

Na de Tweede Wereldoorlog volgde opnieuw een revolutie. Ontwerpers als Charles en Ray Eames, Verner Panton en Joe Colombo experimenteerden met kunststof. Voor het eerst konden meubels worden gemaakt in vormen die met hout onmogelijk waren. De optimistische Space Age bracht wit, oranje, rood en andere heldere kleuren in de huiskamer. Kunststof werd het materiaal van de toekomst.

 

VAN DONKER EIKEN NAAR JAN DES BOUVRIE

Ook meubels volgen de mode. In de jaren zeventig stonden veel woonkamers vol donker eiken meubelen. Daarna maakte Nederland massaal kennis met Mexicaans grenen. In de jaren negentig verschenen lichte beuken meubels, glas, chroom en de minimalistische interieurs van Jan des Bouvrie. Witte muren, strakke lijnen en rustige vormen bepaalden jarenlang het beeld van de moderne woning.

Daarna volgden hoogglans, wengé, steigerhout en uiteindelijk de huidige waardering voor natuurlijke materialen en rustige eiken interieurs. Wie goed kijkt, kan aan een meubel vaak direct zien uit welk decennium het afkomstig is.

 

VAN BOUWPAKKET NAAR VINTAGE

Misschien is de grootste verandering wel dat meubels vroeger werden gemaakt om generaties mee te gaan. Tegenwoordig worden veel meubels industrieel geproduceerd en thuis als bouwpakket gemonteerd. Opmerkelijk genoeg sluit dat idee aan bij de kratmeubelen van Rietveld, al was zijn uitgangspunt heel anders. Hij wilde goed ontwerp bereikbaar maken, niet zo goedkoop mogelijk produceren.

Tegelijk groeit de waardering voor kwaliteit opnieuw. Vintage design van Gispen, Pastoe, Artifort, Spectrum, Martin Visser, Friso Kramer, Cees Braakman en Rietveld is populairder dan ooit. Deze meubels worden gerestaureerd, verzameld en opnieuw gebruikt omdat ze vakmanschap, duurzaamheid en tijdloos ontwerp combineren.

Wie op zoek is naar bijzondere vintage meubels hoeft niet direct naar een museum of exclusieve designgalerie. Juist gespecialiseerde vintagezaken, antiekhandelaren, designveilingen, nalatenschappen, kringloopwinkels en online platforms leveren regelmatig verrassende vondsten op. Een goed gekozen vintage meubel past vaak beter bij een monument of karakteristieke woning dan een volledig nieuw interieur.

 

LEREN KIJKEN

Als bouwkunstmakelaar zie ik regelmatig huizen waarin architectuur en inrichting elkaar versterken. Dat betekent niet dat een monument als museum moet worden ingericht. Integendeel. Een zorgvuldig gekozen combinatie van historische elementen, Nederlands design en kwalitatieve vintage meubels kan een interieur juist eigentijds maken, zonder het karakter van het gebouw aan te tasten.

Bij redres geloven we dat een huis meer is dan een verzameling muren, vloeren en plafonds. Ook de meubels vertellen het verhaal van de mensen die er hebben gewoond. De volgende keer dat je een monument bezoekt, kijk dan niet alleen naar de architectuur, maar ook naar de stoel waarop iemand zat, de tafel waaraan generaties samen aten en de kast die misschien al meer dan een eeuw op dezelfde plek staat. Soms vertellen juist die meubels de mooiste geschiedenis van een huis.

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres