Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #6: WAAROM ZOVEEL OUDE KOZIJNEN GROEN ZIJN
Waarom zijn zoveel oude kozijnen eigenlijk groen geschilderd? Of je nu door een Gronings wierdedorp wandelt, een Zeeuwse vestingstad bezoekt, een buitenplaats op de Utrechtse Heuvelrug bekijkt of voor een monumentaal herenhuis in Maastricht staat, de kans is groot dat je groene kozijnen tegenkomt. Veel mensen gaan ervan uit dat monumenten nu eenmaal groen horen te zijn. Sommigen denken zelfs dat er een officiële monumentenkleur bestaat.
Dat beeld klopt maar gedeeltelijk. De bekende donkergroene kozijnen zijn geen vaste regel en ook geen uitvinding van de monumentenzorg. Achter die vertrouwde kleur gaat een veel interessanter verhaal schuil over lijnolieverf, pigmenten, onderhoud, regionale bouwtradities en de manier waarop we in Nederland eeuwenlang met houten kozijnen zijn omgegaan. Wie goed kijkt naar een oude verflaag, ziet soms meer geschiedenis dan in een compleet vernieuwde gevel.
HOUT HAD BESCHERMING NODIG
Eeuwenlang werden kozijnen gemaakt van hout. Dat was een logisch bouwmateriaal: sterk, goed te bewerken en in veel delen van Nederland ruim beschikbaar. Hout heeft echter bescherming nodig. Regen, zonlicht, wind en temperatuurverschillen tasten onbehandeld hout langzaam aan. Verf was daarom veel meer dan een esthetische keuze. De verflaag vormde de eerste verdediging tegen weer en vocht en bepaalde in belangrijke mate hoe lang een kozijn behouden kon blijven.
Lijnolieverf speelde daarin eeuwenlang een hoofdrol. De verf werd gemaakt op basis van lijnolie, gewonnen uit vlaszaad, waaraan pigmenten werden toegevoegd. Lijnolie trekt deels in het hout en vormt na droging een beschermende verflaag. Traditionele lijnolieverf veroudert anders dan veel moderne verfsystemen. De verf slijt en verpoedert geleidelijk, waardoor onderhoud vaak kon plaatsvinden zonder het kozijn volledig kaal te maken.
Dat is mede de reden dat op historische kozijnen soms tientallen verflagen over elkaar heen liggen. Iedere schilderbeurt voegde een nieuw hoofdstuk toe, zonder dat de eerdere geschiedenis volledig verdween.
GROEN WAS NOOIT DÉ MONUMENTENKLEUR
Er bestaat geen officiële kleur waarin monumentale kozijnen geschilderd horen te worden. Ook het begrip monumentengroen suggereert meer eenheid dan er historisch ooit is geweest. In werkelijkheid kende Nederland een groot aantal groentinten, variërend van grijsgroen en olijfgroen tot bijna zwartgroen.
De kleur die tegenwoordig vaak Grachtengroen wordt genoemd, is vooral bekend geworden door historische stedelijke gevels en in het bijzonder door het beeld van de Amsterdamse grachten. Toch bleef het gebruik van donkergroen beslist niet beperkt tot Amsterdam. Groene kozijnen kwamen voor in steden, dorpen, boerderijen, buitenplaatsen, arbeiderswoningen en herenhuizen verspreid over heel Nederland.
Grachtengroen is dan ook geen nauwkeurig afgebakende historische standaard, maar een moderne verzamelnaam voor diepe groentinten die we zijn gaan associëren met historische architectuur. De werkelijke kleur verschilde per streek, periode, schilder, opdrachtgever en beschikbaar pigment.
WAAROM JUIST GROEN ZO POPULAIR WERD
Dat groen veel voorkwam, had niet één oorzaak. Donkere groentinten combineerden goed met rode en bruine baksteen, natuurstenen onderdelen, wit pleisterwerk en rieten of pannendaken. De kleur gaf kozijnen optisch diepte en zorgde ervoor dat ramen minder nadrukkelijk uit de gevel sprongen.
Ook praktisch speelde groen een rol. Op donkere tinten vielen vervuiling, stof en lichte slijtage minder snel op dan op helder wit of geel. Dat was van belang in een tijd waarin schilderwerk kostbaar en arbeidsintensief was. Een verflaag moest niet alleen mooi zijn bij oplevering, maar ook op een geloofwaardige manier ouder worden.
Daarnaast werden pigmenten gebruikt die op een bepaald moment beschikbaar en betaalbaar waren. De samenstelling van groene verf veranderde door de eeuwen heen. Sommige pigmenten waren kostbaar, andere makkelijker te verkrijgen. Daardoor bestond historisch groen nooit uit één recept.
IEDERE STREEK KENDE EIGEN KLEURTRADITIES
Wie door Nederland reist, ziet dat historisch kleurgebruik sterk regionaal bepaald kan zijn. In waterrijke gebieden, oude vissersplaatsen, agrarische streken en stedelijke kernen ontstonden eigen combinaties van gevelkleuren, kozijnen, deuren en luiken. Die kleuren hingen samen met lokale materialen, ambachtelijke tradities en de smaak van bewoners.
Bij boerderijen kon groen samengaan met witte windveren, zwarte houten delen of luiken in contrasterende kleuren. Buitenplaatsen gebruikten vaak donkere tinten die het houtwerk visueel verbonden met het omringende groen. In historische steden ontstonden weer andere combinaties tussen baksteen, natuursteen, kozijnen en voordeuren.
Daarom is het riskant om een willekeurige donkergroene kleur als algemeen historisch correct te beschouwen. Een kleur kan vertrouwd ogen en toch niets te maken hebben met de geschiedenis van het gebouw zelf.
AFGEBLADDERDE VERF IS INFORMATIE
Tijdens een bezichtiging kijk ik altijd even naar afgebladderde verf op een oud kozijn. Niet omdat slecht schilderwerk aantrekkelijk is, maar omdat juist daar vaak iets van de geschiedenis zichtbaar wordt. Op een beschadigde plek komen soms vier, vijf of nog meer verflagen tevoorschijn. Donkergroen ligt over lichtgroen, daaronder zit misschien crème, grijs, oker of blauw.
Zo’n klein stukje verf is bijna een archeologische doorsnede van het gebouw. Iedere kleur hoort bij een periode waarin iemand besloot dat het pand toe was aan onderhoud of aan een ander uiterlijk. Soms volgde men de mode van dat moment, soms werd gekozen voor een goedkope oplossing en soms probeerde men juist een ouder beeld terug te brengen.
Afgebladderde verf wordt meestal gezien als een gebrek dat zo snel mogelijk moet worden weggewerkt. Bij monumenten en historische architectuur is het verstandiger om eerst te kijken. Wie direct gaat schuren, krabben of afbranden, kan informatie vernietigen die daarna nooit meer terugkomt.
KLEURHISTORISCH ONDERZOEK
Bij een zorgvuldige restauratie kan kleurhistorisch onderzoek veel inzicht geven. Een specialist onderzoekt de opeenvolgende verflagen en probeert vast te stellen uit welke periode ze dateren. Onder een microscoop worden de verschillende lagen zichtbaar als smalle kleurbanden boven elkaar.
Zo’n onderzoek levert niet altijd één definitief antwoord op. Een gebouw kan in verschillende perioden historisch relevante kleuren hebben gehad. De oudste kleur is bovendien niet automatisch de beste keuze voor de toekomst. Een latere kleurstelling kan inmiddels zelf deel uitmaken van de geschiedenis en het beeld van het monument.
Kleurhistorisch onderzoek gaat daarom niet alleen over teruggaan naar een vermeend beginpunt. Het gaat om begrijpen hoe het gebouw zich heeft ontwikkeld en vervolgens een onderbouwde keuze maken die past bij de architectuur, de bouwperiode en de huidige situatie.
LIJNOLIEVERF EN ONDERHOUD
De belangstelling voor traditionele lijnolieverf is de afgelopen jaren opnieuw gegroeid. Dat heeft te maken met restauratiekennis, maar ook met de wens om bestaande houten kozijnen langer te behouden. Goed oud hout is vaak van hoge kwaliteit en hoeft niet te worden vervangen omdat de verflaag slecht is.
Toch moet lijnolieverf niet worden geromantiseerd. Ook dit systeem vraagt vakkennis, een goede voorbereiding en regelmatig onderhoud. Verkeerd aangebrachte verf, te dikke verflagen of onvoldoende droogtijd kunnen problemen veroorzaken. Het succes zit niet alleen in het product, maar in het volledige onderhoudssysteem en in het begrip van het materiaal eronder.
Bij oude kozijnen is de vraag daarom niet alleen: welke kleur willen we? Minstens zo belangrijk zijn de staat van het hout, de bestaande verflagen, de vochtbelasting en de manier waarop het kozijn eerder is behandeld.
KLEUR HOORT BIJ DE ARCHITECTUUR
Een kozijn is geen los onderdeel van een gevel. De kleur beïnvloedt hoe groot of klein een raam lijkt, hoe diep de opening oogt en hoe het houtwerk zich verhoudt tot baksteen, pleisterwerk en natuursteen. Donkere kozijnen kunnen terugwijken in de gevel, terwijl lichte kleuren juist nadruk leggen op de raamopeningen.
Ook de verhouding tussen kozijn, draaiende delen, roeden en glas verandert optisch door kleur. Een verkeerd gekozen kleur kan een verfijnde gevel log en zwaar maken. Een te lichte tint kan juist alle aandacht naar het houtwerk trekken, terwijl de architectuur om meer terughoudendheid vraagt.
Daarom is schilderwerk nooit alleen onderhoud. Kleur is een volwaardig onderdeel van architectuur en verdient dezelfde aandacht als metselwerk, dakvormen, ornamenten en verhoudingen.
GOED KIJKEN VOORDAT JE GAAT SCHILDEREN
Als bouwkunstmakelaar sinds 2003 merk ik bij redres dat mensen een gebouw anders gaan beoordelen zodra ze begrijpen wat een verflaag kan vertellen. Een groen kozijn is dan niet langer alleen een vertrouwd historisch beeld. Het wordt een aanwijzing voor materiaalgebruik, onderhoud, regionale tradities en veranderende smaak.
Juist bij monumenten is terughoudendheid vaak verstandiger dan haast. Niet iedere afgebladderde plek hoeft onmiddellijk te verdwijnen. Soms is het beter om eerst vast te leggen wat zichtbaar is, onderzoek te doen en pas daarna een nieuw verfsysteem te kiezen. Restaureren begint niet met overschilderen, maar met begrijpen.
ACHTER IEDERE VERFLAAG SCHUILT EEN KEUZE
Dit is het zesde deel van Leren kijken naar architectuur. In deze serie laat ik zien dat gebouwen vol aanwijzingen zitten voor iedereen die bereid is iets langer te kijken. Groene kozijnen zijn geen landelijke monumentenregel en Grachtengroen is geen historische standaard voor heel Nederland. Achter iedere tint schuilt een combinatie van plaats, tijd, materiaal, vakmanschap en onderhoud.
Misschien is afgebladderde verf daarom interessanter dan een volmaakt nieuw geschilderd kozijn. In een gladde verflaag zie je vooral het heden. Op de plek waar de verf openbreekt, wordt ineens zichtbaar hoeveel levens een gebouw al achter zich heeft.
Een serie van Jan-Willem Andriessen, bouwkunstmakelaar sinds 2003, oprichter van redres en specialist in architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.