LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #61: PLANTEN. HOE DE NATUUR DE HUISKAMER VEROVERDE
31/10 5 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #61: PLANTEN. HOE DE NATUUR DE HUISKAMER VEROVERDE

EEN HUIS LEEFT PAS ECHT WANNEER ER IETS GROEIT

Een woning is pas echt af wanneer zij wordt bewoond. Meubels geven een huis functie, schilderijen brengen herinneringen aan de muur en boeken vertellen iets over de bewoners. Planten voegen daar nog iets anders aan toe. Zij brengen letterlijk leven in een interieur. Geen enkel ander onderdeel van een woning verandert zo zichtbaar met de seizoenen, groeit met de jaren mee en reageert zo direct op de aandacht van de bewoners.

Toch is de kamerplant een relatief jong verschijnsel. Eeuwenlang waren woningen eenvoudigweg te koud, te donker en te vochtig om planten binnenshuis te laten overleven. Dat veranderde pas toen de architectuur zelf veranderde.

DE NATUUR HOORDE EEUWENLANG BUITEN

Wie teruggaat naar de Middeleeuwen of de zeventiende eeuw ontdekt dat vrijwel alle planten zich buiten het huis bevonden. Kruiden groeiden in de moestuin, fruit stond in de boomgaard en bloemen sierden het erf of de siertuin. Binnen stonden hooguit enkele geneeskrachtige kruiden of een eenvoudig potje op de vensterbank. De woonhuizen waren daarvoor eenvoudigweg niet geschikt.

Vanaf de zeventiende eeuw brachten Nederlandse koopvaardijschepen exotische planten mee uit Azië, Afrika en Zuid-Amerika. Sinaasappelbomen, citroenbomen, palmen en andere bijzondere soorten werden geliefde verzamelobjecten van welgestelde families. Zij kregen een plaats in oranjerieën, speciaal gebouwde winterverblijven waarin kwetsbare planten beschermd werden tegen vorst. De liefde voor exotisch groen ontstond dus niet in de woonkamer, maar op buitenplaatsen en landgoederen.

 

MEER GLAS BRACHT MEER GROEN

De negentiende eeuw veranderde het wonen ingrijpend. Door verbeterde glasproductie, gietijzeren constructies en grotere raamopeningen kregen woningen aanzienlijk meer daglicht. Serres en wintertuinen deden hun intrede en vormden een overgang tussen huis en tuin. Voor het eerst ontstond een binnenklimaat waarin planten ook binnenshuis goed konden groeien.

Juist daardoor veranderde de relatie tussen architectuur en natuur. De serre werd niet alleen een praktische uitbreiding van de woning, maar ook een plek waar bewoners het hele jaar door van groen konden genieten. In veel monumentale villa’s behoort de serre nog altijd tot de meest geliefde ruimtes van het huis.

 

DE VENSTERBANK WERD HET VISITEKAARTJE VAN DE WONING

Misschien is er geen plek zo typisch Nederlands als de vensterbank. Generaties groeiden op met geraniums, begonia’s, varens en later de sansevieria of pannenkoekenplant. De vensterbank bood voldoende licht en warmte, terwijl de planten tegelijkertijd vanaf de straat zichtbaar waren.

Een verzorgde vensterbank vertelde iets over de bewoners. Net als een geschrobde stoep, glanzende deurknoppen of schone ramen liet zij zien dat het huis met aandacht werd onderhouden. Planten werden daarmee onderdeel van het straatbeeld én van de identiteit van een woning.

 

DE JAREN ZEVENTIG MAAKTEN PLANTEN ONDERDEEL VAN DE ARCHITECTUUR

De grootste verandering vond plaats in de jaren zestig en zeventig. Planten verdwenen van de vensterbank en kregen een volwaardige plaats in het ontwerp van de woning. Architecten begonnen groen letterlijk mee te ontwerpen. Grote gemetselde plantenbakken, verhoogde bakken van schoon metselwerk, wit stucwerk of beton werden opgenomen in de plattegrond. Planten stonden niet langer naast de architectuur, maar maakten er integraal deel van uit.

Wie foto’s uit die periode bekijkt, ziet hoe vanzelfsprekend dat was. Grote rubberplanten, monstera’s, kentia-palmen, yucca’s en varens bepaalden samen met baksteen, hout en natuursteen de sfeer van het interieur. Planten waren geen decoratie meer, maar een bouwsteen van de ruimte.

 

DE ZITKUIL KREEG EEN GROENE OMLIJSTING

De zitkuil groeide uit tot een van de meest herkenbare woonconcepten van de jaren zeventig. Rond de verlaagde zithoek stonden vaak grote plantenbakken die verschillende delen van de woonkamer op een natuurlijke manier van elkaar scheidden. De planten verzachtten de strakke lijnen van de architectuur en brachten hoogte, kleur en beweging in het interieur.

Wie oude woonbladen openslaat, ziet dat planten bijna even belangrijk waren als de meubels zelf. Ze stonden niet alleen op de vloer of in de vensterbank, maar maakten deel uit van de ruimtelijke compositie. De woonkamer liep als het ware over in een binnentuin.

 

TOEN ARCHITECTEN GROEN GINGEN ONTWERPEN

Vanaf de twintigste eeuw gingen architecten steeds bewuster nadenken over de relatie tussen gebouw en natuur. Groen werd niet langer gezien als een decoratief element dat na oplevering werd toegevoegd, maar als een volwaardig onderdeel van het ontwerp. De architectuur eindigde niet meer bij de gevel, maar zocht bewust de verbinding met de tuin, het landschap en het interieur.

Frank Lloyd Wright behoorde tot de eerste architecten die woningen ontwierp waarin binnen en buiten in elkaar overvloeiden. Terrassen, patio’s, zichtlijnen en zorgvuldig geplaatste beplanting maakten integraal deel uit van zijn architectuur en zorgden ervoor dat bewoners zich voortdurend verbonden voelden met de natuur. Ook Gerrit Rietveld zocht in het Schröderhuis naar een sterke relatie tussen interieur, daglicht en tuin. Het uitzicht werd onderdeel van de woonervaring en de grens tussen binnen en buiten vervaagde.

Le Corbusier ging nog een stap verder. In zijn beroemde vijf punten van de moderne architectuur introduceerde hij de daktuin als een essentieel onderdeel van het ontwerp. De natuur die door een gebouw werd ingenomen, moest volgens hem op het dak worden teruggebracht. Daarmee kreeg groen een vaste plaats binnen de architectuur zelf.

In Nederland liet Herman Hertzberger zien hoe planten ook binnenshuis onderdeel konden worden van de ruimtelijke beleving. In het voormalige Centraal Beheer in Apeldoorn verzachtten grote plantenbakken de robuuste betonarchitectuur en ontstond een omgeving die eerder aan een verzameling woonkamers en pleinen deed denken dan aan een traditioneel kantoorgebouw. Ook in andere ontwerpen gebruikte hij groen om gebouwen menselijker en prettiger te maken.

Die ontwikkeling zie je eveneens terug in veel woonhuizen uit de jaren zestig en zeventig. Architecten ontwierpen gemetselde plantenbakken, serres, patio’s en groene binnenhoven als vanzelfsprekend onderdeel van de plattegrond. Planten stonden niet langer naast de architectuur, maar maakten er integraal deel van uit. Daardoor ontstond een wooncultuur waarin natuur en gebouw elkaar versterkten en waarin een grote kamerplant net zo vanzelfsprekend was als een open haard, een vide of een zitkuil.

 

VAN HYDROCULTUUR TOT URBAN JUNGLE

Zoals vrijwel alles in het interieur zijn ook kamerplanten gevoelig voor mode. De jaren zeventig brachten grote bladplanten en ingebouwde plantenbakken. In de jaren tachtig werd hydrocultuur populair. Planten groeiden in hydrokorrels en werden gezien als modern, onderhoudsarm en ideaal voor kantoren en woonhuizen. Daarna volgde een periode waarin minimalistische interieurs vrijwel al het groen uit de woonkamer lieten verdwijnen.

De afgelopen jaren is de kamerplant echter overtuigend teruggekeerd. Monstera’s, strelitzia’s, olijfbomen, cactussen en ficussen domineren opnieuw het interieur. Niet zelden spreken we zelfs van een urban jungle, waarin planten opnieuw een hoofdrol spelen. Daarmee sluit de huidige wooncultuur verrassend goed aan bij de ideeën uit de jaren zeventig, zij het in een eigentijdse vorm.

 

LEREN KIJKEN

Als bouwkunstmakelaar kijk ik niet alleen naar de plant, maar vooral naar de plaats die zij in een woning inneemt. Een monumentale palm in een serre, een oude druif tegen een glazen kap of een gemetselde plantenbak uit de jaren zeventig vertelt iets over de tijd waarin een huis is ontworpen en over de manier waarop bewoners de relatie tussen binnen en buiten beleefden.

Bij redres geloven we dat architectuur niet ophoudt bij gevels, vloeren en daken. Ook licht, meubels, kunst, boeken en planten bepalen hoe een woning wordt ervaren. Juist daarom verdienen ook kamerplanten een plaats in de Bouwkunstbibliotheek. Zij laten zien dat een huis pas werkelijk tot leven komt wanneer de natuur er een vanzelfsprekende plaats heeft gekregen en herinneren ons eraan dat goede architectuur niet alleen ruimte biedt aan mensen, maar ook aan het groen waarmee zij willen leven.

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres