Verhalen
OVER DE GRENS MET REDRES: DEEL 1; STUDIEREIS LANGS LE CORBUSIER IN FRANKRIJK, ZWITSERLAND EN ITALIË
Moderne architectuur, industrieel erfgoed en herbestemming van Briey en Ronchamp tot Turijn, Cap Moderne en Marseille: Een terugblik op onze studiereis uit 2024 langs moderne architectuur en erfgoed, als onderdeel van de serie Over de grens met redres.
Le Corbusier behoort zonder twijfel tot de invloedrijkste architecten van de twintigste eeuw. Zijn gebouwen, theorieën en stedenbouwkundige ideeën hebben wereldwijd generaties architecten beïnvloed en behoren inmiddels tot de vaste lesstof aan vrijwel iedere architectuuropleiding. Ook tijdens mijn studie Bouwkunde aan de TU Delft kwam zijn werk uitgebreid aan bod. Namen als Gerrit Rietveld, Frank Lloyd Wright, Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier vormen immers de canon van de moderne architectuur.
Toch bleef er één opvallende leemte bestaan. Hoewel ik zijn gebouwen tientallen keren op foto’s had gezien, erover had gelezen en zijn invloed dagelijks terugzie in mijn werk als bouwkunstmakelaar sinds 2003, had ik een groot deel van zijn oeuvre nooit met eigen ogen ervaren. En juist dat maakt architectuur zo bijzonder. Een gebouw kun je niet volledig begrijpen aan de hand van een boek, een tekening of een documentaire. Architectuur moet je beleven. Je moet onder een gebouw doorlopen, de schaal ervaren, zien hoe het daglicht de ruimte verandert en ontdekken waarom een ontwerp na zestig of zeventig jaar nog altijd overtuigt.
Dat was de aanleiding voor deze studiereis. Niet om zoveel mogelijk beroemde gebouwen af te vinken, maar om een groot deel van het werk van Le Corbusier eindelijk in zijn oorspronkelijke context te bezoeken. Tegelijkertijd bood de route de mogelijkheid om kennis te maken met andere pioniers van de moderne architectuur, onder wie Jean Prouvé en Eileen Gray, en enkele van Europa’s belangrijkste voorbeelden van industrieel erfgoed en herbestemming te bezoeken.
De studiereis vond plaats in augustus 2024 en volgde een route van Briey en Nancy via Ronchamp, Kembs-Niffer, La Chaux-de-Fonds en Corseaux naar Turijn, Roquebrune-Cap-Martin, Castellane en Marseille. Daarmee bracht de reis vroege woonhuizen, collectieve woningbouw, religieuze architectuur, infrastructuur, industrieel erfgoed en herbestemming binnen één samenhangende route bijeen.
In zeven dagen voerde de route van Noord-Frankrijk via Zwitserland naar Turijn en de Côte d’Azur, om uiteindelijk te eindigen in Marseille. Onderweg bezochten we de Cité Radieuse de Briey-en-Forêt, Maison Jean Prouvé in Nancy, Notre-Dame du Haut in Ronchamp, de sluizencomplexgebouwen van Kembs-Niffer, Villa Fallet en Villa Le Lac in Zwitserland, de voormalige FIAT-fabriek Lingotto in Turijn, Cap Moderne met Villa E-1027 en Le Cabanon, het Citromuseum in Castellane en als afsluiting de beroemde Unité d’Habitation in Marseille.
Samen vertellen deze gebouwen het verhaal van bijna zestig jaar architectuurgeschiedenis. Ze laten zien hoe de twintigste eeuw het wonen, bouwen en denken over architectuur ingrijpend veranderde. Sommige gebouwen werden direct iconen, andere verdwenen jarenlang uit beeld en werden pas veel later opnieuw gewaardeerd. Juist die combinatie maakt deze route zo interessant. Niet alleen voor architectuurliefhebbers, maar ook voor iedereen die zich bezighoudt met monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik tijdens zo’n studiereis anders dan een toerist. Natuurlijk bewonder ik de architectuur, maar ik probeer vooral te begrijpen waarom een gebouw nog altijd functioneert, hoe het is geconstrueerd, welke keuzes de architect heeft gemaakt en welke lessen we daar vandaag uit kunnen trekken. Dat maakt iedere studiereis uiteindelijk ook een investering in de begeleiding van eigenaren van monumenten en bijzonder vastgoed in Nederland.
CITÉ RADIEUSE DE BRIEY-EN-FORÊT | LE CORBUSIERS VERTICALE STAD IN HET BOS
De eerste bestemming van onze studiereis was meteen een bijzondere. Niet de beroemde Unité d’Habitation in Marseille, maar de veel minder bekende Cité Radieuse de Briey-en-Forêt in Noordoost-Frankrijk. Juist daarom wilde ik hier beginnen. Veel architectuurliefhebbers reizen rechtstreeks naar Marseille, terwijl Briey misschien wel beter laat zien hoe de ideeën van Le Corbusier zich in de praktijk hebben ontwikkeld.
Briey was van oorsprong een mijnstad. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking snel en ontstond een grote behoefte aan goede woningen voor mijnwerkers en hun gezinnen. In die periode werkte Le Corbusier aan zijn revolutionaire idee van de Unité d’Habitation: een woongebouw dat veel meer moest zijn dan een verzameling appartementen. Hij zag een gebouw als een verticale stad, waarin wonen, ontmoeten en voorzieningen samenkwamen. De Cité Radieuse in Briey werd tussen 1959 en 1961 gebouwd en was de vierde van uiteindelijk vijf gerealiseerde Unités d’Habitation.
Al vanaf de parkeerplaats wordt duidelijk dat dit geen gewoon appartementencomplex is. De enorme betonnen massa lijkt tussen de bomen te zweven. Pas wanneer je dichterbij komt, zie je hoe het gebouw wordt opgetild door de karakteristieke pilotis, de vrijstaande betonnen kolommen die Le Corbusier in veel van zijn ontwerpen toepaste. Hierdoor ontstaat onder het gebouw een open ruimte waardoor het landschap letterlijk onder de architectuur doorloopt. Op foto’s oogt dat indrukwekkend, maar pas wanneer je er zelf onderdoor loopt, ervaar je de enorme schaal van het gebouw.
Le Corbusier ontwierp de appartementen volgens zijn beroemde Modulor, een proportiesysteem dat is gebaseerd op de afmetingen van het menselijk lichaam en de gulden snede. Hij geloofde dat gebouwen prettiger aanvoelen wanneer alle afmetingen onderling met elkaar in verhouding staan. Dat klinkt theoretisch, maar tijdens een bezoek merk je hoe vanzelfsprekend de ruimtes aanvoelen. De binnenstraten zijn breed genoeg om elkaar comfortabel te passeren, de plafonds hebben precies de juiste hoogte en de duplexwoningen profiteren van daglicht aan twee zijden. Achter vrijwel iedere maatvoering schuilt een doordachte gedachte.
Briey was overigens geen exacte kopie van de Unité d’Habitation in Marseille. Het gebouw werd gebaseerd op de kleinere Unité in Rezé en telt 339 woningen, verdeeld over zes binnenstraten. De commerciële voorzieningen en uitgebreide functies op het dak die Marseille zo beroemd maakten, ontbreken hier. Daardoor ligt in Briey de nadruk nog sterker op het wonen zelf.
Wat mij vooral opviel, was hoe actueel het gebouw eigenlijk nog altijd is. De combinatie van compacte woningen, veel collectieve ruimte, een doordachte constructie en aandacht voor ontmoeting sluit verrassend goed aan bij de discussies die we vandaag voeren over woningbouw en verdichting. Ideeën die meer dan zestig jaar geleden werden ontwikkeld, blijken nog altijd relevant.
Toch kende Briey ook een moeilijke periode. Na de sluiting van de mijnen liep de bevolking sterk terug en kwam een groot deel van het gebouw leeg te staan. Jarenlang leek sloop onafwendbaar. Dat lot trof meer modernistische wooncomplexen uit de wederopbouwperiode. Beton werd gezien als grauw, de architectuur als achterhaald en de monumentale waarde werd nauwelijks onderkend. Dankzij de inzet van bewoners, architectuurliefhebbers en erfgoedorganisaties bleef de Cité Radieuse uiteindelijk behouden. Het gebouw werd gerestaureerd, appartementen kregen nieuwe eigenaren en langzaam keerde het leven terug.
Juist dat verhaal maakt Briey zo interessant. Niet alleen als architectonisch meesterwerk, maar ook als voorbeeld van geslaagde herbestemming en herwaardering. Het laat zien dat de kwaliteit van een gebouw niet uitsluitend wordt bepaald door zijn leeftijd of populariteit. Soms duurt het tientallen jaren voordat een generatie opnieuw ontdekt hoe vooruitstrevend een ontwerp eigenlijk was.
Voor mij als bouwkunstmakelaar was dat misschien wel de belangrijkste les van deze eerste bestemming. Ook in Nederland staan we regelmatig voor de vraag hoe we moeten omgaan met jonger erfgoed uit de wederopbouwperiode. Gebouwen die ooit als vanzelfsprekend werden beschouwd, bereiken inmiddels een leeftijd waarop hun cultuurhistorische betekenis zichtbaar wordt. De Cité Radieuse de Briey-en-Forêt bewijst dat behoud en vernieuwing elkaar niet hoeven uit te sluiten. Wanneer de oorspronkelijke ontwerpgedachte wordt gerespecteerd, kan een gebouw uit de jaren zestig nog altijd een aantrekkelijke en toekomstbestendige woonomgeving zijn.
Na een paar uur rondkijken, fotograferen en vooral ervaren, werd duidelijk dat deze eerste kennismaking met het werk van Le Corbusier precies bracht waarop ik had gehoopt. Niet alleen een indrukwekkend gebouw, maar ook nieuwe inzichten in wonen, herbestemming en de blijvende waarde van goede architectuur. De toon voor de rest van de studiereis was daarmee gezet. De volgende halte was Nancy, waar een heel andere pionier van de moderne architectuur wachtte: Jean Prouvé, de man die de bouw benaderde als een ingenieur en daarmee zijn tijd decennia vooruit was.
MAISON JEAN PROUVÉ | DE INGENIEUR DIE DE ARCHITECTUUR VERANDERDE
Vanuit Briey reisden we verder naar Nancy, de stad waar Jean Prouvé van 1901 tot 1984 woonde en werkte. Waar Le Corbusier wereldwijd bekend werd als architect en stedenbouwkundige, ontwikkelde Prouvé zich juist als constructeur, uitvinder en industrieel ontwerper. Hij noemde zichzelf liever geen architect. Zijn uitgangspunt was eenvoudig: een gebouw moest logisch worden opgebouwd, net als een vliegtuig, een brug of een auto. Niet de vorm stond centraal, maar de constructie.
Dat maakt een bezoek aan Maison Jean Prouvé, gebouwd in 1954, zo bijzonder. Het huis is geen luxe villa of architectonisch spektakel, maar een experiment op ware grootte. Prouvé ontwierp de woning voor zijn eigen gezin en gebruikte haar als proefmodel voor zijn ideeën over industrieel bouwen. De woning werd in korte tijd opgebouwd uit lichte, grotendeels geprefabriceerde onderdelen die op locatie werden gemonteerd. In een periode waarin vrijwel alle woningen nog traditioneel werden gemetseld, dacht Prouvé al na over prefabricage, demontabel bouwen en seriematige productie.
Zijn ideeën waren revolutionair. Na de Tweede Wereldoorlog kampte Europa met een enorm woningtekort. Prouvé zag de oplossing niet in steeds sneller traditioneel bouwen, maar in woningen die grotendeels in de fabriek konden worden gemaakt. Daarmee liep hij tientallen jaren vooruit op de huidige belangstelling voor modulair, circulair en demontabel bouwen.
Dat merk je direct wanneer je de woning van dichtbij bekijkt. Het gebouw oogt opvallend licht. Slanke stalen profielen dragen de dakconstructie, grote glasvlakken halen het landschap naar binnen en veel verbindingen zijn eenvoudig zichtbaar gebleven. Er is niets verborgen achter een afwerking. Alles laat zien hoe het huis in elkaar zit. Juist daarin schuilt de schoonheid van het ontwerp.
Waar Le Corbusier beton gebruikte om monumentale volumes te creëren, koos Prouvé voor staal, aluminium en hout. Zijn gebouwen voelen daardoor bijna industrieel aan, zonder kil te worden. Iedere verbinding heeft een functie en ieder detail is logisch te verklaren. Als bouwkundig ingenieur spreekt die manier van ontwerpen mij enorm aan. Je ziet een constructeur die tegelijkertijd gevoel had voor architectuur.
De ligging van de woning is minstens zo doordacht als de constructie. Maison Jean Prouvé staat op een helling aan de rand van Nancy en opent zich volledig naar de tuin. Grote puien zorgen voor een voortdurende relatie tussen binnen en buiten, terwijl de overstekken bescherming bieden tegen de zon. Ook hierin blijkt hoe modern het ontwerp eigenlijk nog altijd is. Duurzaamheid was in 1954 misschien nog geen modewoord, maar slim omgaan met materiaal, oriëntatie en constructie vormde al een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerp.
Wat mij misschien nog wel het meest trof, was hoe actueel Prouvé inmiddels weer is geworden. Veel oplossingen die vandaag als innovatief worden gepresenteerd, bedacht hij ruim zeventig jaar geleden al. Demontabele constructies, droge verbindingen, prefab elementen en efficiënt materiaalgebruik zijn tegenwoordig belangrijke thema’s binnen de bouwsector. Prouvé liet al zien dat snelheid, kwaliteit en architectuur uitstekend samen kunnen gaan.
Toch bleef zijn werk lange tijd enigszins onderbelicht. Misschien omdat hij zichzelf geen architect noemde. Misschien omdat zijn ontwerpen zo vanzelfsprekend ogen dat je gemakkelijk vergeet hoe vernieuwend ze waren. Pas de laatste decennia krijgt Jean Prouvé de internationale waardering die hij verdient. Zijn meubels worden voor hoge bedragen verhandeld, zijn gebouwen zijn inmiddels beschermd erfgoed en architecten over de hele wereld verwijzen opnieuw naar zijn ideeën.
Voor mij vormde het bezoek een mooie aanvulling op het werk van Le Corbusier. Waar Le Corbusier vooral nadacht over de stad, de woning en de menselijke maat, begon Prouvé bij de constructie en het maakproces. Twee totaal verschillende benaderingen, maar allebei met een enorme invloed op de moderne architectuur.
Met de lessen van Briey en Nancy vers in het geheugen reden we de volgende ochtend verder naar een gebouw dat misschien wel het meest emotionele ontwerp van Le Corbusier is. Boven op een heuvel in de Vogezen wachtte Notre-Dame du Haut in Ronchamp, een kerk die alle regels van de moderne architectuur lijkt te tarten en toch uitgroeide tot een van de beroemdste gebouwen van de twintigste eeuw.
NOTRE-DAME DU HAUT IN RONCHAMP | DE KERK DIE ALLE REGELS DOORBRAK
Na twee dagen waarin woningbouw, constructie en industriële productie centraal stonden, veranderde de studiereis volledig van karakter. De route voerde ons naar Ronchamp, een klein plaatsje in de Franse Vogezen waar op een heuvel een van de invloedrijkste religieuze gebouwen van de twintigste eeuw staat: Notre-Dame du Haut.
Wie de naam Le Corbusier hoort, denkt meestal aan rechte lijnen, beton, rationaliteit en functionele woongebouwen. Juist daarom verrast Ronchamp zoveel bezoekers. Niets aan deze kerk oogt rationeel of strak. Het gebouw lijkt bijna als een sculptuur uit de heuvel te zijn gegroeid. De dikke, wit gepleisterde muren buigen en golven, het zware betonnen dak lijkt boven het gebouw te zweven en nergens is een rechte gevel te ontdekken. Wie alleen foto’s kent, vraagt zich bijna af of dit wel door dezelfde architect is ontworpen als de Unité d’Habitation.
De geschiedenis van de plek maakt veel duidelijk. Al sinds de middeleeuwen stond op deze heuvel een bedevaartskapel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw vrijwel volledig verwoest. In plaats van een historische reconstructie kreeg Le Corbusier de opdracht een volledig nieuw ontwerp te maken. Dat leidde tussen 1950 en 1955 tot een gebouw dat destijds zowel bewondering als kritiek opriep, maar inmiddels wordt beschouwd als een van de absolute hoogtepunten van de moderne architectuur. Sinds 2016 maakt Notre-Dame du Haut deel uit van het UNESCO-werelderfgoed, samen met zestien andere belangrijke werken van Le Corbusier.
De wandeling naar de kapel is onderdeel van de ervaring. De kerk verschijnt niet in één keer in beeld, maar ontvouwt zich langzaam terwijl je de heuvel beklimt. Vanuit iedere hoek ziet het gebouw er anders uit. Het dak lijkt voortdurend van vorm te veranderen en de muren ogen nergens hetzelfde. Le Corbusier speelde bewust met perspectief, waardoor het gebouw nooit volledig te overzien is.
Binnen wacht misschien wel de grootste verrassing. Waar de buitenzijde krachtig en massief oogt, is het interieur juist verstild. De dikke muren zijn voorzien van diep uitgesneden vensteropeningen waarin kleine ramen met gekleurd glas zijn geplaatst. Het zonlicht valt daardoor niet rechtstreeks naar binnen, maar wordt gefilterd en verspreidt zich als losse lichtbundels door de ruimte. Gedurende de dag verandert het interieur voortdurend. Geen lamp of kunstwerk bepaalt de sfeer, maar uitsluitend het natuurlijke licht.
Juist dat maakte de grootste indruk op mij. Op foto’s zie je een bijzondere kerk. In werkelijkheid ervaar je hoe licht onderdeel van de architectuur wordt. Je merkt vanzelf dat bezoekers zachter gaan praten en langer blijven stilstaan. Niet omdat iemand dat vraagt, maar omdat het gebouw die rust bijna afdwingt. Dat is misschien wel de grootste kwaliteit van Ronchamp. Architectuur beïnvloedt hier ongemerkt het gedrag van de mensen die het gebouw bezoeken.
Ook constructief is de kapel bijzonder. Het karakteristieke dak oogt alsof het uit massief beton bestaat, maar is in werkelijkheid een relatief dunne betonnen schaal die los lijkt te zweven boven de muren. Tussen dak en gevel blijft rondom een smalle lichtspleet zichtbaar, waardoor het zware dak verrassend licht lijkt. Het is een ingenieuze constructieve oplossing die tegelijkertijd een belangrijk architectonisch effect oplevert.
Ronchamp laat bovendien zien hoe veelzijdig Le Corbusier was. Hij wordt vaak gezien als de architect van het modernisme, van standaardisering en van de woonmachine. Deze kapel bewijst juist het tegenovergestelde. Hier draait alles om emotie, beleving en spiritualiteit. Niet de functie bepaalde de vorm, maar de betekenis van de plek.
Voor mij als bouwkunstmakelaar was Ronchamp opnieuw een waardevolle les. Bij monumenten wordt vaak gesproken over bouwstijlen, materialen en constructies, maar uiteindelijk gaat het ook om de vraag wat een gebouw met mensen doet. Waarom blijft een ruimte je bij? Waarom voelt een gebouw bijzonder? Die antwoorden zijn moeilijk in tekeningen of bestekken terug te vinden. Je moet er zijn geweest om ze werkelijk te begrijpen.
Na Ronchamp vervolgden we onze route richting de Frans-Zwitserse grens. Daar wachtte opnieuw een minder bekend werk van Le Corbusier. Geen kerk of woongebouw, maar twee gebouwen bij het sluizencomplex van Kembs-Niffer, waar zelfs een utilitaire opdracht laat zien dat functionaliteit en architectuur uitstekend samen kunnen gaan.
KEMBS-NIFFER | ZELFS EEN SLUISGEBOUW KAN ARCHITECTUUR ZIJN
Na het indrukwekkende bezoek aan Ronchamp vervolgden we onze route richting de Frans-Zwitserse grens. De volgende bestemming staat zelden bovenaan de verlanglijst van architectuurliefhebbers en juist daarom wilde ik er graag naartoe. Bij Kembs-Niffer, aan de verbinding tussen de Rijn en het Canal du Rhône au Rhin, ontwierp Le Corbusier in 1960 twee gebouwen voor het sluiscomplex: een markante bedienings- en controletoren en een lager gebouw voor de douane- en navigatiediensten.
Het sluiscomplex vormt een belangrijk knooppunt in de binnenvaart tussen de Rijn en het Middellandse Zeegebied. Dagelijks passeren hier vrachtschepen die een aanzienlijk hoogteverschil moeten overbruggen. Le Corbusier ontwierp niet de sluis zelf, maar wel de twee bijbehorende gebouwen. De toren bood plaats aan de sluiswachter en de technische installaties, terwijl het tweede gebouw werd gebruikt door de douane en de navigatiediensten.
Toch herken je direct de hand van de meester. De sculpturale betonnen kap van de toren lijkt los boven het gebouw te zweven en geeft het kleine volume een onverwachte monumentaliteit. De schuine lijnen, de vrije vorm en de manier waarop het gebouw zich richt op het water maken duidelijk dat Le Corbusier ook bij een technische opdracht bleef zoeken naar architectonische kwaliteit. Zelfs gebouwen waar de meeste mensen achteloos aan voorbij zouden rijden, kregen dezelfde aandacht als zijn bekendste ontwerpen.
Juist dat vond ik bijzonder. In Nederland maken we vaak onderscheid tussen architectuur en infrastructuur. Een brug, gemaal, sluis of viaduct wordt al snel gezien als een technisch object. In Frankrijk lijkt die scheiding veel minder scherp. Ook een utilitair gebouw kan architectuur zijn en daarmee onderdeel worden van het cultureel erfgoed. Dat zegt iets over de manier waarop de Fransen naar hun gebouwde omgeving kijken.
De gebouwen zelf zijn bescheiden, maar de locatie maakt het bezoek de moeite waard. Vanaf het terrein kijk je uit over de enorme sluiskolken, de passerende binnenvaartschepen en het voortdurende samenspel tussen water, techniek en landschap. Terwijl de schepen langzaam stijgen en dalen, wordt duidelijk hoeveel techniek er schuilgaat achter een waterweg die voor de meeste recreanten vanzelfsprekend lijkt.
Als bouwkunstmakelaar spreekt mij juist die combinatie aan. Architectuur staat nooit op zichzelf. Een gebouw krijgt betekenis door zijn omgeving, zijn functie en de mensen die er gebruik van maken. Bij Kembs-Niffer komen techniek, landschap en architectuur op een vanzelfsprekende manier samen. Het is een plek waar je ziet dat schoonheid ook kan ontstaan uit pure functionaliteit.
Hoewel de gebouwen bij het sluizencomplex misschien niet de bekendheid hebben van Ronchamp of de Unité d’Habitation, vormen ze een belangrijk onderdeel van het oeuvre van Le Corbusier. Ze laten zien dat hij zijn ontwerpprincipes niet reserveerde voor prestigieuze opdrachten, maar ook toepaste op de meest alledaagse gebouwen. Misschien is dat wel de grootste les van deze tussenstop. Goede architectuur zit niet in een spectaculair programma of een groot budget, maar in de aandacht waarmee een gebouw wordt ontworpen.
Na deze korte, maar verrassende tussenstop verlieten we Frankrijk en reden we Zwitserland binnen. Daar wachtte een bijzonder moment. In La Chaux-de-Fonds, de geboorteplaats van Le Corbusier, zouden we kennismaken met het eerste woonhuis waaraan de jonge Charles-Édouard Jeanneret als ontwerper werkte: Villa Fallet, het huis waarmee zijn ontwikkeling als architect zichtbaar begon.
VILLA FALLET EN VILLA LE LAC | VAN CHALET NAAR WERELDBEROEMDE ARCHITECT
Na de Frans-Zwitserse grens veranderde de studiereis opnieuw van karakter. We reden naar La Chaux-de-Fonds, de Zwitserse stad waar Charles-Édouard Jeanneret-Gris, beter bekend als Le Corbusier, in 1887 werd geboren. Vrijwel iedere architect kent zijn latere werk, maar juist zijn eerste ontwerpen worden vaak overgeslagen. Dat is jammer, want hier begint het verhaal van een jonge ontwerper die nog volop op zoek was naar zijn eigen architectonische taal.
VILLA FALLET | HET BEGIN VAN EEN WERELDCARRIÈRE
Tussen de karakteristieke huizen van La Chaux-de-Fonds staat Villa Fallet, ontworpen vanaf 1905 en gebouwd in 1906 en 1907. Charles-Édouard Jeanneret was pas achttien jaar oud toen hij onder invloed van zijn leermeester Charles L’Eplattenier en in samenwerking met architect René Chapallaz aan het ontwerp werkte.
De villa werd gebouwd voor een plaatselijke graveur van horlogekasten en laat nog weinig zien van de strakke, witte architectuur waarmee Le Corbusier later beroemd zou worden. Sterker nog, wie Villa Fallet voor het eerst ziet, zal zich misschien afvragen of dit werkelijk een ontwerp is waaraan Le Corbusier heeft meegewerkt.
Het huis sluit volledig aan bij de regionale bouwtraditie van de Jura. Steile daken, rijk gedecoreerde houten gevels en motieven die verwijzen naar de natuur bepalen het beeld. De zogenoemde Style Sapin, geïnspireerd op de sparrenbossen van de Jura, overheerst. Van beton, pilotis of lange horizontale ramen is nog geen sprake.
Juist daarom is Villa Fallet zo interessant. Je ziet een jonge architect die eerst leert kijken naar zijn omgeving voordat hij zijn eigen weg inslaat. Pas later, na reizen door Europa en ontmoetingen met architecten als Auguste Perret en Peter Behrens, ontwikkelt hij de ideeën waarmee hij de moderne architectuur voorgoed zou veranderen.
Voor mij was dit een van de verrassingen van de reis. We kennen Le Corbusier vaak als de radicale vernieuwer die brak met het verleden. Villa Fallet laat juist zien dat ook hij begon met het bestuderen van tradities en regionale bouwcultuur. Vernieuwing ontstaat zelden uit het niets. Ook de grootste architecten bouwen voort op wat er al is.
VILLA LE LAC | MAXIMALE KWALITEIT OP MINIMALE RUIMTE
Een dag later stond een gebouw op het programma dat nauwelijks groter kon verschillen van Villa Fallet. Aan de oevers van het Meer van Genève, in Corseaux, ligt Villa Le Lac, gebouwd in 1923 en 1924 naar ontwerp van Le Corbusier en Pierre Jeanneret voor de ouders van Le Corbusier.
Het huis meet slechts ongeveer 64 vierkante meter, maar wordt wereldwijd beschouwd als een van de belangrijkste kleine woonhuizen uit de moderne architectuur. Waar Villa Fallet nog geworteld is in de negentiende eeuw, laat Villa Le Lac zien hoe snel Le Corbusier zich als architect ontwikkelde. Alles is teruggebracht tot de essentie.
De woning bestaat uit een langgerekt volume met een plat dak, witte gevels en een spectaculaire horizontale raamstrook van ruim elf meter lang. Dat ene raam functioneert als een levend schilderij waarin het Meer van Genève voortdurend verandert door het weer, het licht en de seizoenen. Binnen en buiten vloeien bijna ongemerkt in elkaar over.
In dit kleine huis zijn al drie uitgangspunten zichtbaar die later onderdeel zouden worden van Le Corbusiers beroemde vijf punten van de moderne architectuur: de vrije plattegrond, het platte dak met daktuin en het horizontale bandraam. Juist door de bescheiden omvang zijn die ideeën hier bijzonder helder afleesbaar.
Tijdens het bezoek viel vooral de efficiëntie van de plattegrond op. Iedere vierkante meter heeft een functie. Er is geen overbodige ruimte en toch voelt de woning nergens krap. Dat is precies de kracht van Le Corbusier. Hij ontwierp geen grote huizen, maar goede huizen.
Ook de tuin speelt een belangrijke rol. Een hoge muur schermt de woning af van de straat, terwijl de zijde aan het meer juist volledig open is. Privacy en uitzicht worden daardoor op een vanzelfsprekende manier gecombineerd. Het is een eenvoudige ingreep die nog altijd verrassend modern aanvoelt.
Villa Le Lac behoort bovendien tot de UNESCO-werelderfgoedlocaties van Le Corbusier. Niet vanwege de omvang van het gebouw, maar vanwege de invloed die het ontwerp heeft gehad op de ontwikkeling van de moderne woningbouw. Veel ideeën die later wereldwijd zouden worden toegepast, zijn hier al in hun meest compacte vorm aanwezig.
Na het bezoek realiseerde ik mij hoe bijzonder deze twee woningen eigenlijk zijn. Tussen Villa Fallet uit 1906-1907 en Villa Le Lac uit 1923-1924 ligt nog geen twintig jaar, maar architectonisch lijken ze uit twee verschillende eeuwen te komen. De ene woning kijkt nog nadrukkelijk terug naar regionale tradities, de andere vooruit naar een volledig nieuwe manier van wonen. Samen vormen ze misschien wel de mooiste illustratie van de ontwikkeling die Le Corbusier in relatief korte tijd heeft doorgemaakt.
Met dat verhaal vers in het geheugen verlieten we Zwitserland en reden we Italië binnen. De volgende bestemming was opnieuw van een totaal andere orde. Geen woonhuis en geen kerk, maar een gebouw dat ooit symbool stond voor de industriële kracht van Europa: de voormalige FIAT-fabriek Lingotto in Turijn, misschien wel een van de indrukwekkendste voorbeelden van herbestemming die ik ooit heb bezocht.
In deel 2 van deze studiereis vervolgen we de route naar Turijn, de Côte d’Azur en uiteindelijk Marseille, waar architectuur, techniek, industrieel erfgoed en modern wonen steeds opnieuw samenkomen.