LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #33: DE WONINGWET VAN 1901. TOEN GEZONDHEID ARCHITECTUUR WERD
03/10 4 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #33: DE WONINGWET VAN 1901. TOEN GEZONDHEID ARCHITECTUUR WERD

Wie vandaag door Amsterdam wandelt, ziet statige gevels, levendige straten en karakteristieke woonblokken. Het is moeilijk voor te stellen dat dezelfde stad aan het einde van de negentiende eeuw kampte met een woningnood die nauwelijks te bevatten was. In buurten als de Jordaan en de oude volkswijken leefden complete gezinnen opeengepakt in kleine, vochtige woningen. De Pijp, tegenwoordig een geliefde stadswijk, werd in hoog tempo volgebouwd om de toestroom van arbeiders op te vangen. Snelheid was belangrijker dan kwaliteit. Licht, lucht en hygiëne waren vaak een luxe.

Als bouwkunstmakelaar probeer ik gebouwen altijd te begrijpen vanuit de tijd waarin zij zijn ontstaan. Achter iedere gevel schuilt een verhaal. Soms is dat het verhaal van een architect, soms dat van een opdrachtgever, maar heel soms vertelt een gebouw vooral iets over de samenleving. De Woningwet van 1901 is daarvan misschien wel het mooiste voorbeeld. Eén wet veranderde niet alleen de manier waarop Nederland bouwde, maar ook de manier waarop mensen leefden, ziek werden en uiteindelijk gezonder konden wonen.

Aan het einde van de negentiende eeuw groeiden de Nederlandse steden explosief. Fabrieken trokken duizenden mensen van het platteland naar de stad en al die nieuwe inwoners hadden een woning nodig. Projectontwikkelaars bouwden daarom zo snel en goedkoop mogelijk. Smalle stegen werden volgezet met kleine woningen, achterhuizen en binnenterreinen raakten dichtbebouwd en complete gezinnen deelden soms één of twee vertrekken. Daglicht bereikte de onderste woonlagen nauwelijks en frisse lucht bleef gevangen tussen dicht opeengebouwde gevels.

De gevolgen waren ingrijpend. Veel huizen beschikten niet over een rioolaansluiting. Afvalwater liep via goten over straat of verdween rechtstreeks in de grachten. Beerputten lekten in de bodem en vervuilden het grondwater. Drinkwater werd gehaald uit pompen waarvan de kwaliteit lang niet altijd betrouwbaar was. Vooral in warme zomers veranderden grachten in stilstaand, vervuild water dat een broedplaats vormde voor ziekten. Cholera, tyfus en tuberculose maakten duizenden slachtoffers. De oorzaak werd aanvankelijk niet volledig begrepen, maar steeds duidelijker werd dat slechte huisvesting en gebrekkige hygiëne een belangrijke rol speelden.

Hoe groot de verschillen in waterkwaliteit waren, blijkt uit een bijzonder voorbeeld uit mijn eigen omgeving. In ’s-Graveland ontstond in de negentiende eeuw een bloeiende wasserij-industrie dankzij het schone en kalkarme kwelwater. Welgestelde Amsterdammers lieten hun linnengoed per trekschuit naar de Gooise wasserijen brengen om het daar te laten wassen en op de bleekvelden te drogen. Terwijl Amsterdam worstelde met vervuilde grachten en open riolen, groeide enkele kilometers verderop een complete bedrijfstak dankzij schoon water. Het laat zien hoe bepalend waterkwaliteit was voor het dagelijks leven én voor de ontwikkeling van steden en dorpen.

Steeds meer artsen, ingenieurs, architecten en bestuurders beseften dat de overheid niet langer kon afwachten. Een gezonde stad begon bij gezonde woningen. Dat inzicht leidde uiteindelijk tot de Woningwet van 1901, een wet die de Nederlandse bouwgeschiedenis voorgoed zou veranderen.

Voor het eerst stelde de rijksoverheid landelijke eisen aan woningen. Gemeenten moesten bouwverordeningen opstellen, woningtoezicht organiseren en kregen de bevoegdheid om ongezonde woningen onbewoonbaar te verklaren of zelfs te laten slopen. Nieuwbouwwoningen moesten voortaan voldoen aan minimale eisen voor daglicht, ventilatie, constructieve veiligheid en hygiëne. Wat vandaag vanzelfsprekend lijkt, was destijds een revolutionaire gedachte. Een woning moest niet alleen beschutting bieden, maar ook bijdragen aan de gezondheid van haar bewoners.

De invloed van de Woningwet reikte veel verder dan techniek alleen. Ook de architectuur veranderde. Woningen kregen grotere ramen zodat meer daglicht kon binnendringen. Plattegronden werden logischer ingedeeld, ventilatiemogelijkheden verbeterden en sanitaire voorzieningen kregen een vaste plaats in de woning. Riolering en drinkwaterleidingen werden steeds vaker aangelegd en nieuwe woonwijken kregen bredere straten, meer groen en meer ruimte tussen de bebouwing. Licht, lucht en ruimte werden de nieuwe uitgangspunten van de Nederlandse stedenbouw.

Architecten als Hendrik Petrus Berlage, Michel de Klerk, Piet Kramer en later Willem Marinus Dudok bouwden voort op deze nieuwe inzichten. Hun ontwerpen gingen niet alleen over schoonheid, maar ook over leefbaarheid. Goede architectuur moest bijdragen aan een betere samenleving. De monumentale woonblokken van de Amsterdamse School, de zorgvuldig ontworpen tuindorpen en de ruime woonwijken uit het begin van de twintigste eeuw zijn zonder de Woningwet nauwelijks denkbaar.

Tijdens bezichtigingen zie ik die ontwikkeling nog bijna dagelijks terug. Een woning van vóór 1900 voelt vaak wezenlijk anders aan dan een huis dat tien of twintig jaar later werd gebouwd. Grotere vensters, betere ventilatie, een logischer indeling en de aanwezigheid van sanitaire voorzieningen verraden vaak direct dat een gebouw tot een nieuwe generatie behoort. Wie leert kijken, ontdekt dat architectuur veel meer vertelt dan alleen een bouwstijl. Zij laat ook zien hoe een samenleving verandert.

Bij redres proberen we daarom altijd verder te kijken dan de gevel alleen. Een monument of historisch woonhuis is niet los te zien van de tijd waarin het ontstond. De Woningwet van 1901 vormt daarbij één van de belangrijkste kantelpunten uit de Nederlandse bouwgeschiedenis. Niet omdat zij een nieuwe bouwstijl introduceerde, maar omdat zij een nieuwe manier van denken mogelijk maakte. Vanaf dat moment werden gezondheid, woonkwaliteit en architectuur onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Misschien is dat wel de grootste betekenis van de Woningwet. Goede architectuur gaat niet uitsluitend over esthetiek. Zij gaat ook over waardigheid, gezondheid en de overtuiging dat een goed gebouw het leven van mensen kan verbeteren. Meer dan een eeuw later vormen die uitgangspunten nog altijd de basis van de manier waarop wij in Nederland bouwen, wonen en onze monumenten waarderen.

In deel 34 kijken we naar het toilet door de eeuwen heen. Van het privaat en de po tot de waterspoeling en de moderne badkamer. Een ogenschijnlijk eenvoudig onderwerp dat verrassend veel vertelt over architectuur, techniek en de ontwikkeling van onze wooncultuur.

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres