Verhalen
LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #34: VAN PLEE TOT TOILET. HOE EEN PLANK MET EEN GAT ONZE WOONCULTUUR VERANDERDE
Koning, keizer, admiraal… naar de plee moeten we allemaal. Vrijwel iedereen kent deze uitdrukking. Ze maakt duidelijk dat sommige dingen voor iedereen gelijk zijn, ongeacht afkomst of rijkdom. Toch zag een toilet er eeuwenlang totaal anders uit dan we ons vandaag kunnen voorstellen. Misschien vertelt geen enkele ruimte in een woning zoveel over de ontwikkeling van onze wooncultuur als het kleinste kamertje. Achter iets ogenschijnlijk alledaags schuilt een verhaal over techniek, gezondheid, architectuur en beschaving.
Opvallend genoeg was het woord plee ooit helemaal niet plat. Integendeel. In de negentiende eeuw gold het juist als een keurige benaming voor het toilet. Waarschijnlijk is het afgeleid van een Franse uitdrukking, al verschillen taalkundigen nog altijd van mening over de precieze herkomst. Wat ooit deftig klonk, is in de loop van de tijd juist een volks woord geworden. Dat past eigenlijk perfect bij de geschiedenis van het toilet zelf. Wat ooit een voorrecht was van een kleine groep mensen, vinden we tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld.
De behoefte om menselijke uitwerpselen af te voeren is natuurlijk zo oud als de mens zelf. Verrassend genoeg waren de Romeinen daarin hun tijd ver vooruit. In veel Romeinse steden bevonden zich openbare latrines waar tientallen mensen naast elkaar plaatsnamen op stenen banken met openingen. Onder de banken stroomde voortdurend water dat de uitwerpselen afvoerde. Comfortabel naar onze maatstaven was het niet, maar technisch was het een indrukwekkend systeem. Na de val van het Romeinse Rijk verdween veel van die kennis weer. Eeuwenlang zou Europa op sanitair gebied een stap terugzetten.
In de Middeleeuwen werd de oplossing eenvoudiger. Kastelen beschikten vaak over een privaat, een gemetselde uitbouw aan de buitenzijde van de muur waarbij de uitwerpselen rechtstreeks in een gracht of diepe beerput terechtkwamen. Kloosters en abdijen hadden soms verrassend geavanceerde voorzieningen waarbij stromend water werd gebruikt om afval af te voeren. Voor de gewone bevolking bleef het veel eenvoudiger. Een po onder het bed en een beerput achter het huis waren eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld.
Eeuwenlang stond de plee namelijk helemaal niet in huis. Op boerderijen, arbeiderswoningen en zelfs veel herenhuizen bevond het toilet zich buiten, meestal achter op het erf. Het bestond vaak uit niet veel meer dan een houten hokje met een plank waarin een rond gat was gezaagd. Daaronder lag een beerput waarin alles terechtkwam. Wie zich een winteravond rond 1880 probeert voor te stellen, begrijpt hoe weinig vanzelfsprekend ons huidige comfort eigenlijk is. Midden in de nacht trok je een jas over je nachtkleding, stak een kaars of olielamp aan en liep over een koud, nat of bevroren erf naar de plee. Alleen al die wandeling maakt duidelijk hoe groot de betekenis van het binnentoilet later zou worden.
Juist daarom stond onder vrijwel ieder bed een po. Dat was geen luxe, maar pure noodzaak. Niemand liep graag tijdens een storm of bij strenge vorst naar buiten. De inhoud van de po werd de volgende ochtend geleegd in de beerput. Dat hoorde bij het dagelijkse huishouden en werd generaties lang als volkomen normaal beschouwd.
Veel mensen denken dat iedere buitenplee een hartvormige opening in de deur had. Dat romantische beeld klopt maar gedeeltelijk. Hartjes kwamen inderdaad voor, maar net zo vaak zien we ruiten, cirkels, halve manen of eenvoudige sleuven. Die openingen waren niet bedoeld als versiering, maar zorgden voor ventilatie en een beetje daglicht. Zonder die luchtcirculatie was een bezoek aan de plee nog onaangenamer geweest. Het hartje groeide pas veel later uit tot hét symbool van de ouderwetse buitenplee.
De beerput zelf verdient eigenlijk meer waardering dan hij meestal krijgt. Voor archeologen is een beerput een schatkamer. Eeuwenlang verdwenen er niet alleen menselijke uitwerpselen in, maar ook gebroken servies, glazen, speelgoed, leren schoenen, etensresten, pitten, zaden en soms zelfs munten. Dankzij deze vondsten weten we verrassend veel over het dagelijkse leven van onze voorouders. Wat zij weggooiden, vormt vandaag een belangrijke bron van historische kennis.
De groei van de steden in de negentiende eeuw maakte duidelijk dat deze manier van leven niet langer houdbaar was. In dichtbebouwde wijken kwamen duizenden beerputten naast elkaar te liggen. Veel putten lekten, afvalwater belandde in grachten en open goten voerden vervuild water door de straten. De geur moet overweldigend zijn geweest. Nog ernstiger was dat ziekten als cholera en tyfus zich gemakkelijk konden verspreiden. Steeds duidelijker werd dat goede sanitaire voorzieningen letterlijk van levensbelang waren.
De aanleg van riolering, schoon drinkwater en uiteindelijk de waterspoeling betekende daarom veel meer dan een technische verbetering. Het veranderde de volksgezondheid ingrijpend. Toiletten verhuisden langzaam van het erf naar de woning. Eerst nog in een aanbouw of op de gang, later als vanzelfsprekend onderdeel van het huis. Samen met de Woningwet van 1901 betekende dit een enorme stap vooruit in de kwaliteit van wonen. Hygiëne werd een vast onderdeel van de architectuur.
Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom ook naar de plek van het toilet. Zit het nog buiten? Is het later naar binnen verplaatst? Is de oorspronkelijke toiletruimte uit de jaren dertig nog aanwezig? Zulke ogenschijnlijk kleine details vertellen vaak verrassend veel over de ontwikkeling van een woning. Ze laten zien hoe bewoners zich steeds opnieuw aanpasten aan nieuwe inzichten, nieuwe technieken en veranderende opvattingen over gezondheid en comfort.
Bij redres geloven we dat architectuur niet alleen bestaat uit gevels, ornamenten en constructies. Ook de meest alledaagse ruimtes verdienen aandacht. Het toilet is daarvan misschien wel het mooiste voorbeeld. Van een eenvoudige plank met een gat boven een beerput groeide het uit tot een vanzelfsprekend onderdeel van iedere woning. Daarmee veranderde niet alleen het huis, maar ook onze gezondheid, onze privacy en uiteindelijk onze hele wooncultuur.
In deel 35 duiken we letterlijk de grond in en bekijken we de beerput. Waarom zijn archeologen er zo dol op en wat vertellen eeuwenoude afvalputten over het dagelijks leven van onze voorouders?
Over de auteur
Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.