LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #36: LICHT IN HUIS. HOE DE NACHT LANGZAAM VERDWEEN
06/10 4 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #36: LICHT IN HUIS. HOE DE NACHT LANGZAAM VERDWEEN

Wie vandaag een schakelaar omzet, denkt zelden na over licht. We verwachten dat iedere ruimte direct helder verlicht is, of het nu ochtend, middag of middernacht is. Eeuwenlang was dat anders. Zodra de zon onderging, veranderde een woning in een wereld van schaduwen. De avond begon niet wanneer de klok dat aangaf, maar wanneer het laatste daglicht verdween.

Als bouwkunstmakelaar probeer ik gebouwen altijd te bekijken zoals hun oorspronkelijke bewoners dat deden. Dat betekent dat ik mij regelmatig afvraag hoe een huis eruitzag zonder elektriciteit. Hoe werd er gekookt? Hoe werd er gelezen? Hoe vond iemand ’s nachts de weg naar de plee? Pas wanneer je het moderne licht wegdenkt, begrijp je waarom oude woningen zijn ontworpen zoals ze zijn.

De belangrijkste lichtbron was eeuwenlang simpelweg de zon. Daarom waren vensters van levensbelang. Niet alleen om naar buiten te kijken, maar vooral om zoveel mogelijk daglicht binnen te laten. Toch waren ramen vroeger veel kleiner dan tegenwoordig. Glas was kostbaar, tocht een groot probleem en grote openingen maakten een gebouw kwetsbaar. Licht was dus een kostbaar bezit. Het verklaart waarom woonkamers vaak aan de zonnige zijde van het huis lagen en waarom werkplaatsen, keukens en ateliers zoveel mogelijk van natuurlijk licht profiteerden.

Wanneer de avond viel, nam het vuur de rol van de zon over. In de Middeleeuwen zorgde een open haard niet alleen voor warmte, maar ook voor licht. Dat licht reikte echter niet ver. Wie ooit alleen bij een haardvuur heeft gezeten, weet hoe groot het verschil is tussen de fel verlichte ruimte van nu en de zachte kring van licht waarin men vroeger leefde. De hoeken van een kamer verdwenen letterlijk in het donker.

Kaarsen brachten verbetering, maar waren kostbaar. Bijenwas was duur en daardoor vooral weggelegd voor kerken, kloosters en welgestelde huishoudens. De meeste mensen gebruikten kaarsen van dierlijk vet. Die waren goedkoper, maar brandden onrustiger, rookten meer en verspreidden een kenmerkende geur. Iedere kaars vertegenwoordigde waarde. Er werd zuinig mee omgegaan. Men stak geen kaars aan als dat niet nodig was.

Daarnaast gebruikte men olielampen. Eerst brandde daarin vooral raapolie of lijnolie, later ook walvistraan. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw werd walvisolie een belangrijke brandstof voor verlichting. Dat maakt duidelijk hoe sterk de geschiedenis van architectuur verweven is met handel, scheepvaart en zelfs de walvisvaart. Een lamp op tafel vertelde onbewust ook iets over de wereldhandel van dat moment.

De komst van petroleum veranderde in de negentiende eeuw opnieuw veel. Petroleumlampen gaven een helderder en betrouwbaarder licht dan kaarsen en waren relatief betaalbaar. Plotseling konden gezinnen ’s avonds langer lezen, handwerken of werken. Het ritme van de dag veranderde langzaam. De avond werd langer.

De echte revolutie kwam echter met elektriciteit. Toen de eerste woningen rond het einde van de negentiende eeuw elektrisch werden verlicht, veranderde niet alleen de manier waarop mensen leefden, maar ook de architectuur. Plafonds kregen centraaldozen, schakelaars verschenen naast deuren en iedere nieuwe woning werd ontworpen met verlichting als vanzelfsprekend onderdeel van het gebouw. De nacht verloor langzaam haar vanzelfsprekende duisternis.

Tijdens bezichtigingen kom ik die geschiedenis nog regelmatig tegen. Oude porseleinen schakelaars, bakelieten stopcontacten, gasleidingen die later zijn afgedopt, sierlijke plafondrozetten en oorspronkelijke wandarmaturen vertellen vaak precies uit welke periode een woning stamt. Ook de plaats van ramen zegt veel. In historische huizen zie je hoe zorgvuldig men het beschikbare daglicht gebruikte. Iedere lichtstraal telde.

Als bouwkunstmakelaar kijk ik daarom niet alleen naar de hoeveelheid licht in een woning, maar ook naar de manier waarop dat licht binnenkomt. Een goed geplaatst venster, een bovenlicht boven een deur of een zorgvuldig ontworpen trapgat zijn zelden toevallig. Ze laten zien hoe architecten en timmerlieden eeuwenlang hebben gezocht naar manieren om met zo weinig mogelijk middelen zoveel mogelijk licht in een woning te brengen.

Bij redres geloven we dat architectuur pas echt interessant wordt wanneer je begrijpt waarom gebouwen zijn zoals ze zijn. Licht is daarvan misschien wel het mooiste voorbeeld. Het bepaalde eeuwenlang waar mensen woonden, werkten, lazen, aten en elkaar ontmoetten. Pas sinds kort kunnen wij de nacht verdrijven met één druk op de knop. Onze voorouders bouwden hun huizen zo dat zij iedere minuut daglicht optimaal benutten. Wie dat eenmaal ziet, kijkt voortaan heel anders naar een oud raam, een bovenlicht of een zorgvuldig geplaatste dakkapel.

 

In deel 37 gaan we naar de keuken. Hoe veranderde koken door de eeuwen heen van een open vuur in de woonruimte naar de moderne keuken die vandaag het hart van vrijwel iedere woning vormt?

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres