LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #38: DE IJSKELDER. HOE ONZE VOOROUDERS VOEDSEL KOEL HIELDEN ZONDER ELEKTRICITEIT
08/10 4 minuten

Verhalen

LEREN KIJKEN NAAR ARCHITECTUUR #38: DE IJSKELDER. HOE ONZE VOOROUDERS VOEDSEL KOEL HIELDEN ZONDER ELEKTRICITEIT

Wie over een historische buitenplaats wandelt, ziet soms een vreemd heuveltje in het landschap. Verscholen tussen oude bomen steekt een gemetseld boogje uit de grond of hangt een zware houten deur half verscholen achter klimop. Veel bezoekers lopen er gedachteloos aan voorbij. Toch bevindt zich daar vaak een van de slimste bouwwerken uit de negentiende eeuw: de ijskelder. Lang voordat elektriciteit bestond, wisten onze voorouders voedsel maandenlang koel te houden met niets meer dan natuurijs, baksteen en een goed begrip van de natuur.

Als bouwkunstmakelaar kijk ik altijd met belangstelling naar dit soort verborgen gebouwen. Ze zijn misschien minder opvallend dan een oranjerie, koetshuis of theekoepel, maar vertellen minstens zoveel over het dagelijks leven op een landgoed. Een ijskelder laat zien hoe afhankelijk mensen waren van de seizoenen en hoe inventief zij omgingen met de middelen die de natuur bood.

Iedere winter, zodra vijvers, grachten en sloten voldoende waren dichtgevroren, begon een nauwkeurig georganiseerd karwei. Grote blokken ijs werden uit het natuurijs gezaagd, met paarden en karren naar de buitenplaats vervoerd en zorgvuldig opgestapeld in de ijskelder. Tussen de ijsblokken bracht men dikke lagen stro, riet of zaagsel aan. Dat werkte als een uitstekende isolatie. Vervolgens werd de zware deur gesloten en bleef de kelder maandenlang dicht.

Het geheim zat niet alleen in het ijs, maar vooral in de bouwkundige opzet. Een ijskelder lag vrijwel altijd grotendeels onder de grond. De aarde vormde een natuurlijke isolatielaag die de temperatuur opvallend constant hield. De muren waren dik gemetseld, de ruimte kreeg meestal een tongewelf en de ingang lag vaak op het noorden, zodat de zon nauwelijks invloed had. Door die combinatie van slimme keuzes bleef het binnen verrassend koud. In goed gebouwde ijskelders hield het ijs het soms vol tot ver in augustus of zelfs september.

Dat ijs was letterlijk van levensbelang. Vlees, vis, wild, boter, melk en room konden veel langer worden bewaard dan zonder koeling mogelijk was. Ook bier, wijn en andere dranken profiteerden van de constante temperatuur. Op grote buitenplaatsen werden zelfs ijsdesserts en sorbets geserveerd in een tijd waarin de meeste mensen nog nooit een koelkast hadden gezien. Wat voor ons vanzelfsprekend is, gold toen als een technisch hoogstandje en een teken van welvaart.

Niet iedere woning beschikte over een ijskelder. Ze kwamen vooral voor op kastelen, buitenplaatsen, landgoederen en bij rijke herenhuizen. Voor gewone woningen was de aanleg eenvoudigweg te kostbaar. Toch wilde ook de groeiende middenklasse profiteren van gekoeld voedsel. Daarom verscheen aan het einde van de negentiende eeuw een nieuwe uitvinding: de ijskast.

Die naam is veelzeggender dan veel mensen denken. Een ijskast was letterlijk een kast waarin een groot blok ijs werd gelegd. Dat ijs werd geleverd door de ijsboer, die regelmatig met zijn wagen door de straten reed om nieuwe ijsblokken af te leveren. Smeltwater werd onderin opgevangen en afgevoerd, terwijl het ijs de inhoud van de kast koel hield. Pas veel later verscheen de elektrische koelkast. Opmerkelijk genoeg bleef de oude naam ijskast in het dagelijks taalgebruik bestaan. Nog altijd zeggen veel mensen dat ze iets uit de ijskast pakken, terwijl er al tientallen jaren geen echt ijs meer aan te pas komt. De taal bewaart soms geschiedenis die we zelf allang vergeten zijn.

De elektrische koelkast verscheen in Nederland al in de jaren dertig, maar was aanvankelijk alleen bereikbaar voor welgestelde gezinnen. Pas na de Tweede Wereldoorlog begon de grote doorbraak. In de jaren zestig werd de koelkast langzaam een vast onderdeel van vrijwel iedere Nederlandse keuken. Daarmee verdween een eeuwenoude manier van voedsel bewaren in korte tijd uit het dagelijks leven. De ijskelder verloor zijn functie, de ijsboer verdween uit het straatbeeld en ook de ijskast met haar zware ijsblokken werd geschiedenis.

Als bouwkunstmakelaar kom ik nog regelmatig voormalige ijskelders tegen. Soms zijn ze prachtig gerestaureerd, soms verscholen onder een dichtgegroeide heuvel en soms zelfs volledig vergeten. Toch vormen ze een essentieel onderdeel van een historische buitenplaats. Ze vertellen hoe een landgoed functioneerde, hoe zorgvuldig men omging met voedsel en hoe bouwkunde eeuwenlang praktische problemen wist op te lossen zonder moderne techniek.

Bij redres geloven we dat juist dit soort verborgen bouwwerken een monument bijzonder maken. Een ijskelder is veel meer dan een koele ruimte onder de grond. Zij vertelt een verhaal over architectuur, natuurkunde, voedsel, seizoenen en vakmanschap. Misschien laat geen enkel gebouw zo mooi zien dat duurzaamheid helemaal geen moderne uitvinding is. Onze voorouders gebruikten geen elektriciteit, maar hun kennis van de natuur was zo groot dat zij met ijs uit een winterse vijver de hele zomer doorkwamen. Soms is de slimste techniek verrassend eenvoudig.

 

In deel 39 dalen we verder af onder de grond. Waarom was de gewone kelder eeuwenlang belangrijker dan de keuken en hoe werd zij het natuurlijke voorraadmagazijn van iedere woning?

 

Over de auteur

Jan-Willem Andriessen is oprichter van redres en bouwkunstmakelaar sinds 2003. Vanuit zijn dagelijkse praktijk houdt hij zich bezig met architectuur, monumenten, herbestemming en bijzonder vastgoed in heel Nederland. Met de serie Leren kijken naar architectuur bouwt hij aan een blijvende kennisbibliotheek over architectuur, bouwkunde, monumenten en gebouwgeschiedenis. Daarmee versterken Jan-Willem Andriessen en redres stap voor stap hun positie als gezaghebbende kennisbron over architectuur, monumenten en bijzonder vastgoed.

Dromen met Redres